Zijn de artikelen 137 c en d van het Wetboek van Strafrecht een vehikel van kafkaëske multiculturalisten die tolerantie door Orwelliaans taalgebruik eroderen?

Misschien wel. In zijn boek Bardot, Fallaci, Houellebecq en Wilders gaat Paul Cliteur in op de strafzaak Wilders II. Wilders werd toen vervolgd wegens zijn “Minder, minder, minder Marokkanen” uitspraak, of liever vraag. Kan dat?

Artikel 137 c en d van het Wetboek van Strafrecht

Het artikel waar het allemaal om te doen is, is artikel 137 van het wetboek van strafrecht. En dan in het bijzonder de leden c en d. Hierin worden 4 zaken strafbaar gesteld, die ten opzichte van 4 groepen niet mogen.

Je mag niet:

  1. Beledigen
  2. Aanzetten tot haat
  3. Aanzetten tot discriminatie
  4. Oproepen tot geweld

Ten aanzien van:

  1. Ras
  2. Godsdienst of levensovertuiging
  3. Hetero- of homoseksuele gerichtheid
  4. Lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap

Wilders werd vervolgd wegens de belediging van een ras. Paul Cliteur wijst de rechter erop dat het moeilijk is om Marokkanen een ras te noemen – het is een nationaliteit.

Ofschoon de juridische beschouwingen van het wetsartikel door Paul Cliteur zeer het lezen waard zijn, is interessanter dan deze technische discussie, deze vraag die Cliteur stelt: Wat is echte tolerantie en hoe verhoudt dit zich tot belediging?

Tolerantie

Paul Cliteur pleit ervoor dat we gaan nadenken over de wenselijkheid van het vervolgen van onwelgevallige meningen. Wat je ook van de toon vindt van Wilders, is het niet zo dat tolerantie precies dát is, dat je accepteert dat er meningen worden geventileerd waar je het niet mee eens bent? Het verbieden van die meningen, dát is intolerantie. Wanneer je meningen gaat verbieden op basis van “intolerantie”, gebruik je de term intolerantie abusievelijk.   

Zo was het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ook van mening in 1976, in de befaamde zaak Handyside v.s. Verenigd Koninkrijk. Het schreef toen (nog) dat “Freedom of expression…is applicable not only to ‘information’ or ‘ideas’ that are favourably received or regarded as inoffensive or as a matter of indifference, but also to those that offend, shock or disturb the State or any sector of the population. Such are the demands of that pluralism, tolerance and broadmindedness without which there is no ‘democratic society’.

Daarmee gaf het Hof uiting aan het Voltairiaans begrip van tolerantie. Voltaire zei: “Ik ben het niet eens met wat je zegt, maar ik ben bereid om mijn leven ervoor te geven dat je het kunt zeggen.”

Het Hof benadrukt dus ook dat pluralisme juist gebaat is bij dissidente meningen. Het garandeert “viewpoint diversity”, dus een verscheidenheid aan opvattingen in de samenleving.

Multiculturalistisch Tolerantiebegrip

Daar tegenover staat het multiculturalistische begrip van tolerantie. Deze vorm van tolerantie gaat ervan uit dat elke groep in de samenleving niet alleen even goed is (cultuurrelativisme), maar ook het recht heeft om niet beledigd te worden of te worden onderworpen aan kritiek dat als beledigend zou kunnen worden opgevat. 

Daarmee worden deze identitaire groepen als het ware immuun verklaard voor enige vorm van kritiek, ongeacht of die hout snijdt. Machteld Zee spreekt in dit verband ook wel van “Heilige identiteiten”. Dat deze identiteiten gekritiseerd kunnen worden, volgt echter uit ons grondwettelijk recht op vrijheid van meningsuiting. Het multiculturalistische tolerantiebegrip, staat daarmee dus op gespannen voet met de vrijheid van meningsuiting.

De Lezer van Bardot, Fallaci, Houellebecq en Wilders wordt één ding duidelijk: de verscheidenheid aan opvattingen (viewpoint diversity) moet worden beschermd, niet de groepsidentiteiten die volgen uit die opvattingen.

Voltairiaans begrip van Tolerantie onder druk

Sindsdien (1976, Handyside .v.s. Verenigd Koninkrijk) wordt er een hete strijd gevoerd tussen het Voltairiaans tolerantiebegrip en het multiculturalistische begrip van tolerantie. En dat gaat helaas niet altijd helemaal goed.

Na Handyside v.s. het Verenigd Koninkrijk zijn er meerdere zaken geweest die gaan over waar de grens van de vrijheid van meningsuiting loopt. Niet altijd wordt dat beslecht in het voordeel van de vrijheid van meningsuiting.

1994 Otto Preminger v.s. Oostenrijk

In 1994 in de zaak Otto Preminger v.s. Oostenrijk wordt de frase “offend, shock or disturb” door het Hof herhaald. Echter, er wordt een criterium aan toegevoegd: de uiting moet bijdragen aan het maatschappelijk debat.

1997 Wingrove v.s. het Verenigd Koninkrijk

In 1997 beslechte het Hof de zaak Wingrove v.s. het Verenigd Koninkrijk in het nadeel van de vrijheid van expressie. Het Verenigd Koninkrijk had de film Visions of Ecstacy, over de seksuele fantasieën van Thérèsa d’Avila, verboden. Het werd door de Britse staat als obsceen geacht en een aanval op religie. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens achtte het verbod niet als een inbreuk op het Europese Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) en het verbod werd dus gehandhaafd.

2006 I.A. v.s. Turkije

In 2006 ligt er de zaak I.A. v.s. Turkije voor het Europese Hof. Het gaat om de veroordeling van een directeur van een uitgeverij, die het vanwege het publiceren van de roman Les phrases interdites van Abdullah Riza Ergüven met de Turkse rechterlijke macht aan de stok had gekregen. Het verbod blijft gehandhaafd. “Een droevige uitspraak”, zo stelt Cliteur, “Het Hof steunt in feite de dictatuur van Erdogan.”

Wel wordt in datzelfde jaar en land het verbod op een andere roman opgeheven, in de zaak Tatlav v.s. Turkije. Het boek bevatte scherpe islamkritiek. Dit verbod werd door het Hof wel in strijd geacht met het EVRM.

Wij zien dus op Europees niveau een ambivalente houding van de rechterlijke macht ten aanzien van de vrijheid van meningsuiting. Soms staat het Hof wél voor deze vrijheid en voor de vrijheid van meningsuiting en expressie.

Toch lijkt de teneur duidelijk: langzaam zijn wij weg aan het bewegen van het Voltairiaans tolerantiebegrip waaraan het Hof in 1976 nog zo duidelijk uitdrukking gaf toen het stelde dat het tolereren van meningen die “Shock, offend or disturb” een noodzakelijke randvoorwaarde is voor het functioneren van een democratische rechtsstaat.

Dat wij wegbewegen van dit tolerantiebegrip, ziet Cliteur – terecht – als kwalijk. het tij zal moeten worden gekeerd. De zaak Wilders II moet dan ook worden beschouwd in deze context.

Empirisme versus idealisme in het islamdebat

Iedereen is het er wel over eens dat het wenselijk zou zijn als er geen connectie tussen religie en gewelddadig handelen zou bestaan. Waar het verschil tussen mensen zit, is dat idealisten denken dat als je echt gelooft dat dit verband niet bestaat, het er ook feitelijk niet is. Het beeld van de struisvogel die zijn kop in het zand steekt doemt op.

Empiristen wijzen er echter op, dat ondanks dat het een mooie wereld zou zijn als dat waar was, de wereld zich niet (noodzakelijkerwijs) voegt naar onze geestesspinsels over hoe die er idealiter uit zou zien.

Paul Cliteur schrijft over een zo’n empirist, Éric Zemmour, dit:

“Hij ziet zichzelf overigens niet als een “provocateur”, zoals zijn critici bij de traditionele middenpartijen hem graag zien, maar als een adequate analyticus en observator die de werkelijkheid geen geweld wil aandoen door de harde realiteit door een rozige waas van politieke correctheid te laten vertekenen.”

Empiristen constateren dat de moord op Theo van Gogh, omwille van zijn film, islamitisch gemotiveerd was. Dat gaf de moordenaar namelijk ook zelf toe in zijn verklaring – hij dacht het te moeten doen om een goed moslim te zijn.

Empiristen kunnen ook constateren dat de fatwa religieus gemotiveerd was, die Ayatollah Khomeini in 1989 uitsprak over de schrijver Salman Rushdie en hem daarmee vogelvrij verklaarde voor de islamitische wereld. Salman Rushdie heeft meer dan tien jaar onder moeten duiken, wordt 24 uur per dag bewaakt en heeft een bomaanslag op zijn leven overleefd. Niet het leven dat de meeste aspirant schrijvers zich graag zouden voorstellen.

Verders stellen empiristen vast dat de Deense Cartoonaffaire (2005) niet had plaatsgevonden als islamisten kritiek op de profeet Mohammed zouden dulden. Dat de aanslag op Charlie Hebdo niet zou hebben plaatsgevonden als islamisten niet zouden geloven dat de vrijheid van expressie niets waard is, wanneer het zich kritisch uitlaat over de islam.

Empiristen constateren dat de aanslag op het World Trade Center, op de Bataclan of in Manchester; de aanslag op de homoclub in Orlando, The London Bridge, Spanje,  – het wordt te veel om op te noemen – allemaal met een interpretatie van het islamitische dogma te maken heeft.

Zouden Empiristen willen dat religie niet tot geweld leidt?

Ja.

Is het ook waar?

Helaas niet – zo blijkt.

Ook Bardot, Fallaci, Houellebecq en Wilders zijn in de betekenis van Paul Cliteur proponenten van deze empirische stroming. Dat is een belangrijk punt.

Theoterrorisme – to call each thing by its right name

Paul Cliteur stelt dat de wereldleiders de grootste moeite vertonen dit terrorisme bij de juiste naam te noemen. Men spreekt wel van terrorisme, maar de Obamas en Merkels van deze wereld kunnen het niet over hun tong krijgen om de aanslagen in bijvoorbeeld Orlando of Berlijn te koppelen aan de islam.

Cliteur zegt daarover: “Onze overheden en terrorismedeskundigen doen op dit moment verwoede pogingen om hedendaagse Syriëgangers of de ideologie die door IS wordt verspreid te begrijpen. Voornamelijk Barack Obama en Hillary Clinton slagen daar slecht in. Dus komen zij met frasen als “extremisten” en “monsters” en dat soort kwalificaties”.

Wat wél een juiste aanduiding zou zijn, is het begrip dat Paul Cliteur daarvoor hanteert: theoterrorisme. Deze benaming erkent de connectie tussen het terroristisch handelen van de terroristen en hun religie.

Bijkomend effect is dat deze politici daarmee het electoraat van zich vervreemden en het daarmee “in de handen” van deze “populisten” of eigenlijk liever “empiristen” drijven.

Dat er een connectie bestaat tussen religie en het terrorisme is namelijk voor veel mensen zo helder als kristal. De terroristen zelf geven ook heel duidelijk aan dat hun aanslagen religieus gemotiveerd zijn. Dat zij martelaren willen worden. Dat zij zich in elk geval op een interpretatie van de koran baseren. Dat zij het opnemen voor de profeet Mohammed, zoals in het geval van de aanslag op Charlie Hebdo. En Allahu Akbar is niet een zelden geuitte term bij het uitvoeren van de handelingen.

En toch (om nu maar een citaat uit mijn persoonlijke collectie te gebruiken) horen we David Cameron zeggen: “They claim to do this in the name of islam. That is nonsense. Islam is a religion of peace.”

“Men laat zich leiden door wenselijkheid en niet door feiten”, verzucht Cliteur; net als de kerk ten tijde van Galileo Galilei.

De vier zuilen van het Theoterrorisme

Ook in het dogma van het monotheïsme vindt de empiricus steun. Paul Cliteur ontwaart 4 ‘zuilen’ van het theoterrorisme.

  1. God’s wil is wet [Genesis 22: 16; Koran 37:109]
  2. De suprematie van religieuze wetten boven die van de staat, met geweld kracht bijgezet [Numeri 25]
  3. Dood de leiders van de verkeerde religieuze sekten [1 Koningen 18:40]
  4. Bereidheid om een offer te brengen [2 Makkabeeën 7]

Opvallend is dat hoofdzakelijk christelijk dogma wordt geciteerd. Dat vermindert echter niet de toepasbaarheid op de islam. Deze zuilen doorlopen alle monotheïstische godsdiensten. Het Jodendom en het Christendom lijken grotendeels ervan geëmancipeerd. Op dit tijdsgewricht is het met name de islam die nog de bereidheid kent om uiting te geven aan deze radicale interpretatie van de godsdienst.  Maar de ingrediënten van het theoterrorisme vind je in elke monotheïstische godsdienst. Daarom dekt het woord “theoterrorisme” ook zo goed de lading.

Symptoombestrijding van het theoterrorisme

Het niet willen erkennen dat er een verband bestaat tussen iemands religieuze overtuiging en diens gewelddadig handelen, werkt het volgende mechanisme in de hand. Eerder dan dat wordt gezocht naar oplossingen die gericht zijn op de religieuze motivatie, worden de tegenreacties aangevallen die dit probleem aan de kaak proberen te stellen.

En die symptoombestrijding gebeurt door strafrechtelijke vervolging. Wilders is al twee maal aangeklaagd; Bardot heeft 5 rechtsgangen moeten doorlopen, Houellebecq is op het matje geroepen en ook Oriana Fallaci heeft zich mogen verantwoorden voor de rechter.

Niet zelden werden zij ook daadwerkelijk veroordeeld.

Zware beschuldigingen gaan gepaard met dergelijke vervolgingen. Zij zouden “racisten” zijn, omdat zij kritische kanttekeningen plaatsen bij immigratie, wat een politiek vraagstuk is. De vraag is natuurlijk of een afwijzende houding tegenover de komst van grote groepen mensen uit het buitenland, per definitie betekent dat je ook vindt dat het ene ras beter is dan het andere. We moeten heel voorzichtig zijn om dat zomaar aan te nemen, vindt Paul Cliteur.

Ook zou godsdienstkritiek “racistisch” zijn, ondanks dat je geloof niet aan je huidskleur is gekoppeld. Die kritiek is daarnaast “beledigend” en komt voort uit een ongegronde vrees (fobie) voor de immigranten (xenofobie) of de religieuze gemeenschap (islamofobie).

De “zieke” geesten die godsdienst kritisch zijn en “ongegronde” vrezen hebben voor de islam, zouden moeten worden genezen.

Hoe beter dan door een strafrechtelijke veroordeling?

Tot veroordeling wordt de rechterlijke macht aangemoedigd door een zelotische schare mensen die zich “beledigd” voelt, doordat een heilig verklaarde identiteit gekritiseerd wordt. Tot de aanklagers begeeft zich ook een lobby van NGO’s zoals de Ligue Islamique Mondiale, een in Saoedi-Arabië gevestigde organisatie die een van de eisende partijen was in het proces-Houellebecq.

Bardot, Fallaci, Houellebecq en Wilders: Vrijheid van meningsuiting in nationale rechtspraak

Parallel aan de uitspraken door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, lopen door deze symptoombestrijding ook nationale zaken die raken aan de vrijheid van meningsuiting en godsdienstkritiek. Zaken, namelijk, die lopen tegen Bardot, Fallaci, Houellebecq en dus ook tegen Wilders.

Laten wij eens kort doorlopen hoe de meningsuiting van Bardot, Fallaci en Houellebecq hen in aanraking heeft gebracht met justitie.

Bardot

Om te beginnen met Brigitte Bardot. Bardot was een gevierd symbool van de Frans cultuur. Het Franse equivalent van Marilyn Monroe. Met vrienden als Jacques Chirac en Sarkozy. Wie aan Franse schoonheid dacht, dacht aan deze actrice en fotomodel: in bikini – geen boerkini – op het strand. Later in haar leven raakte zij zeer betrokken bij de zaak voor dierenrechten.

Paul Cliteur beschrijf het pijnpunt:

“Moslims vieren het feest van Aïd-el-Kébir. Dat is een feest dat herinnert aan de bereidheid van Abraham (in de islam: Ibrahim) om zijn zoon te offeren op bevel van God. Die bereidheid wordt gevierd door een schaap te offeren. Nu gaat het in deze controverse om de vraag hoe dat schaap wordt geofferd: verdoofd dan wel onverdoofd. De verdoofde slacht is diervriendelijker. Maar godsdiensten als islam en ook het jodendom bepleiten een onverdoofde rituele slacht en als uitvloeisel van hun godsdienstvrijheid.”

Bardot maakte met betrekking op dit feest tegenover Sarkozy deze opmerking: “Ik ben het zat onder de duim te worden gehouden door een volksdeel dat erop uit is ons te vernietigen, ons land te vernietigen en ons hun wil op te leggen.” Bardot sprak ook van de “islamisering van Frankrijk.” Die uitspraak is opgepikt en vormt de basis voor haar vervolging.

Brigitte Bardot voelt een morele weerzin tegen het onverdoofde slachten en uit daarover haar misgenoegen. Daarvoor is zij aangeklaagd wegens aanzetten tot discriminatie en aanzetten tot haat. in 1997 werd Bardot veroordeeld vanwege het aanzetten tot rassenhaat, nadat zij in een open brief het begrip “buitenlandse overbevolking‘ had gehanteerd.

In totaal is Bardot 5 keer veroordeeld. Haar aanklager, Anne de Fontette gaf aan een “een beetje moe te worden van het vervolgen van mevrouw Bardot.” Paul Cliteur merkt op dat het niet onvoorstelbaar is dat Bardot zelf ook een beetje moe wordt vervolgd te worden.

Fallaci

De Italiaanse Oriana Fallaci zag de ideologie van het islamisme als een speciaal soort fascisme. Zij zag een geestelijke crisis in Europa. In wat Cliteur de Fallaci trilogie noemt doet zij haar visie op de islam uit de doeken.

Fallaci is zeer uitgesproken. Zij spreekt over een “invasie van Europa” door de islam, dat imperialistisch zou zijn. Fallaci trekt fel ten strijde tegen de Verenigde Naties “die samen met onze onvolprezen Europese Unie de misdaden ‘islomofobie’ en ‘ontering van de islam’ heeft bedacht.”

Ook bekritiseert Fallaci het werk van mensenrechtenrapporteur Doudou Diène die het als zijn taak beschouwde om te zoeken naar gevallen van islamofobie “waardoor moslims in Amerika en Europa na 11 semptember geen leven meer hebben”. In zijn rapporten beschrijft Dène aspecten van deze “islamofobie”, zoals de “intellectual legitimization of increasingly overt hostility towards Islam and its followers by influential figures in the world of arts, literature and the media.”

Paul Cliteur maakt hierbij een scherpe opmerking: “Let op die woorden ‘influential figures in the world of arts, literature and the media’. We hebben hier een overheidsfunctionaris aan het woord, die de wereld wil zuiveren van het verkeerde denken. Dit doet sterk denken aan het Stalinisme en aan de Inquisitie in het christendom.”

Houellebecq

Michel Houellebecq werd, in de woorden van Fallaci, “aangeklaagd omdat hij de koran het stompzinnigste en gevaarlijkste boek had genoemd”. Het interessante aan de casus van Houellebecq is dat hij een romancier is. Zijn boek Platforme raakte in opspraak wegens islamkritiek die zijn karakters uitten. Maar uiteindelijk werd hij voor het gerecht gedaagd vanwege een interview dat hij daarover gaf. De aanklagers waren “verschillende moslimorganisaties en de leiders van de moskeeën van Parijs en van Lyon”.

Zijn Islamkritische roman Platforme was gepubliceerd vóór 9/11, wat hem volgens Paul Cliteur de reputatie gaf van een visionair. Maar bij anderen werd hij “gehaat als ‘islamofoob’, ‘xenofoob’ of ‘racist’”.

In Platforme zegt iemand dat hij een genoegdoening voelt wanneer een Palestijnse terrorist wordt gedood, en dat het lezen van de koran een deprimerende aangelegenheid is (wat overigens inderdaad het geval is) aangezien de islam “de domste religie” is.

Houellebecq werd vrijgesproken, al hing hem een boete van 52,000 euro en een jaar gevangenisstraf boven het hoofd.

De rechter zei: “Uiting gegeven aan zijn haat voor een bepaalde godsdienst (…) kan niet worden aangemerkt als het aanzetten tot haat jegens degenen die deze godsdienst aanhangen”.

Wat Bardot, Fallaci, Houellebecq en Wilders gemeen hebben

Bardot, Fallaci, Houellebecq en Wilders zijn vier hele verschillende personen (zoek de verschillen, zou Geerten Waling zeggen). De overeenkomsten tussen de vier bestaat hieruit:

  1. Zij geven een culturele analyse van het hedendaags religieuze geweld.
  2. Hedendaags islamisme of de islam heeft een negatief effect op de integratie van religieuze en etnische groepen in de westerse samenlevingen.
  3. Deze cultuurstrijd moet worden benoemd.

Wat leren de zaken Bardot, Fallaci, Houellebecq en Wilders ons?

In elk geval dat wij steeds voorzichtiger moeten zijn met wat wij zeggen, als wij niet vervolgd willen worden.

Ook is het het geval dat er zeer los wordt omgesprongen met zware termen als racisme en aanzetten tot (rassen)haat. Zoals in het geval van Bardot. Ze gaf alleen maar aan dat ze het zat was.

Tsja.

Het moment dat we het uiten van een oprecht doorvoeld ongenoegen strafbaar stellen, is de samenleving van Kafka, of Bordewijks Blokken niet ver weg meer.

We komen toch weer terug op dat begrip tolerantie. Je hoeft het niet met iemand eens te zijn om te kunnen inzien dat het belangrijk is dat die diversiteit van opvattingen kan bestaan.

Juist waar opvattingen elkaar vrijelijk kunnen beconcurreren, daar bloeien de beste ideeën op.

Cliteur vindt overigens zelf de “minder, minder, minder” uitspraak van Wilders ook “niet behulpzaam”.

Dat Paul Cliteur in Bardot, Fallaci, Houellebecq en Wilders zo’n sterk pleidooi heeft neergezet in verdediging van de vrijheid van Wilders om zijn (onwelgevallige) mening te uiten, duidt erop dat voorlopig de zaak van het Voltairiaans tolerantiebegrip in Nederland nog niet verloren is.

Laten we op die positieve noot eindigen.