De kerk op wereldlijk terrein onder de republiek , door Mr. S.J. Fockema Andreae (1952)

De scheiding tussen kerk en staat in Nederland is niet iets dat abrupt tot stand is gekomen. Daarentegen is het een geleidelijk proces geweest, dat met horten en stoten langzaam de huidige (onvoltooide) situatie heeft voortgebracht. Daar getuigt ook de publicatie van Mr. S.J. Fockema Andrae van, genaamd ‘De kerk op wereldlijk terrein onder de Republiek’, dat in 1952 werd gepubliceerd.

De publicatie van Andreae is bedoeld als oriëntatie op de toestand van de scheiding tussen kerk en staat ten tijden van de Republiek. In zijn verhandeling besteedt hij aandacht aan de verschillende wereldlijke domeinen waarin de kerk zich toen begaf. Kerk en staat, “incommensurabele entiteiten”, zo schrijft Andreae, ontmoetten elkaar op gebieden als het volksleven, de sociale zorg en het onderwijs; maar ook op gebieden die nu ( en toen) als wereldlijk worden beschouwd. Daarbij kan men denken aan persoonsregistratie, het opstellen van authentieke akten; administratie, censuur, strafzaken en het bijstaan van de regering.

Tal van deze domeinen zijn geleidelijk door de overheid overgenomen. De kerk bemoeide zich soms gevraagd, soms ongevraagd met de besognes van de staat. Soms traden predikanten op als volksvertegenwoordigers; soms lichtten zij de regering in over sentimenten onder de bevolking; of juist over misdaden die de burgers hadden gepleegd. Soms verleenden zij diensten tot het algemeen nut, zoals het bijhouden van sterfgevallen; soms waren deze diensten dubieus, zoals wanneer men zich tot de kerk moest wenden om een verklaring van goed gedrag te krijgen.

Er is niet eenduidig te zeggen dat de inmenging van de kerk in staatszaken in de tijd van de Republiek altijd en per definitie kwalijk was. Waar er geen overheid was, vulde de kerk het gat. Zo is het beter dát er armenzorg is, dan geen. Wel kan men zeggen dat de dubbele rol van de kerk onwenselijk was. Bijvoorbeeld bij strafzaken, waarbij de geestelijke zowel vertrouwenspersoon als rechercheur was; zowel ‘advocaat’ als aanklager. Die dubbele rol hoeft de kerk tegenwoordig niet meer te vervullen, door de opkomst van de seculiere staat met scheiding der machten – en dat ís per definitie goed.

Hier volgt een overzicht van de zaken die Andreae opmerkte over de toestand van de scheiding tussen kerk en staat in de Republiek.

1. Persooonsregistratie

Al voor de Hervorming heerste de opvatting dat zaken als het huwelijk en de doop geregistreerd dienden te worden. Het Concilie van Trente (1545-1563) had dit nog nadrukkelijk bevestigd.

Dit zag men als een zaak van het algemeen belang, omdat het voor verschillende doeleinden werd gebruikt en voor een geringe vergoeding werd afgegeven. Het gebeurde onder de verantwoordelijkheid van de predikant.

“Tegen het einde van de Republiek, wordt hier en daar voorgeschreven dat de registers in dubbel moeten worden gehouden en dat de duplicaten met enig regelmaat aan de burgerlijke overheid moet worden afgegeven. Wereldlijk voorschrift, door de kerk aanvaard.”

De overheid verplichtte de kosters ook om van elke begrafenis aangifte te doen, wat met name belangrijk was voor de inning van de erfbelasting.

“Zo diende de kerk het algemeen belang, des-onbewust.”

2. Authentieke akten

Geestelijken vervulden ten tijden van de Republiek ook de rol van een soort notaris:

“Onder de oude bedeling was het een recht, maar ook een plicht der geestelijken, de leken ten dienste te staan in het opmaken en bezegelen van allerlei Authentieke akten.” Alleen als het de overdracht van onroerend goed betrof was de inmenging van het lokale gerecht vereist.

Gedurende de Hervorming nam het aantal griffiers, secretarissen en notarissen echter dermate toe dat de handhaving van deze functie der geestelijken weinig reden had.

De Omwenteling van 1795, toen de Bataafse Republiek met hulp van de Fransen werd uitgeroepen, zou een einde maken aan de laatste rechten van de geestelijken om contracten en testamenten op te stellen (recht van zegelen), dat toen nog in sommige afgelegen streken bestond.

3. Administratieve tussenkomst

De striktheid van de scheiding tussen kerk en staat varieerde ook van gewest tot gewest. In de meeste provincies werd slechts bij uitzondering een beroep gedaan op de medewerking van kerkelijke organen voor bestuursdoeleinden. De Staten richtten zich daarentegen meestal tot “Schoute en Geregte”. De schout was toen belast met opsporing, het voorzitten van het gerecht en hij was ook wat met nu de openbaar aanklager zou noemen.

In de noordoostelijke gewesten was het seculier bestuur echter dunner verspreid en daar werd de kerk wél belast met dergelijke wereldlijke taken. “Men deed bijvoorbeeld voor belastingaangiften een beroep op de parochiebesturen – zelden op de predikant en nooit op de kerkraden. Theoretisch onderscheidde men namelijk “wereldlijk” en “kerkelijk” parochiebestuur.”

Voor bewijzen van goed gedrag richtte de overheid zich tot kerkelijke organen en personen. “Maar toch, zo schijnt het, hier in mindere mate dan in andere landen met totalitaire kerken.”

Deze taken werden ook in toenemende mate door de overheid verricht “en zo schijnt niet zelden op betere wijze. Het is veelzeggend als men soms classicale vergaderingen besluiten ziet nemen tegen het lichtvaardig afgeven van verklaringen door predikanten bijvoorbeeld aan zwervers.”

In het algemeen is het minder gewoon dan soms elders, dat kerkgebouwen voor wereldlijk-openbare doeleinden worden gebruikt. Behalve in Friesland en Drenthe, waar talrijke stemmingen in de kerken plaatsvinden. Af en toe ook in de Groningse ommelanden. Maar in het algemeen ziet de kerk zulk wereldlijk gebruik niet graag; synoden ijveren ertegen.

Het is tekenend voor de tijden van de Republiek, toen er veel minder mensen in Nederland woonden en de kerk een veel prominentere rol speelde in het leven van alledag; dat men zoiets als een verklaring van goed gedrag zou moeten krijgen van de dorpspriester. Wat “goed gedrag” precies behelst, loopt zo het risico een kerkelijke invulling te krijgen. Het geeft aan dat het toch nog lastig was om je te onttrekken aan de kerk; en hoe de kerk tot diep in de vezels van de maatschappij was doorgedrongen.

4. Onderwijs

Onderwijs kon in de Republiek nog moeilijk los worden gezien van religie. Zonder een geloofsverklaring te geven, kon je eigenlijk geen onderwijzer worden. Toch voltrekt zich langzaamaan een proces, met name in de grote steden, waarbij onderwijs buiten de kerkelijke kringen en invloedssfeer wordt gegeven.

“In de kerkorden wordt toezicht, althans op de Christelijke aard van het onderwijs, als een taak der Kerk gevindiceerd en voorgeschreven tegelijk. De Dortse kerkorde betrekt in dezen reeds vast bepaalde stelling, door met name de ondertekening ener geloofsverklaring te eisen van alle onderwijzers en van de hoogleraren der theologische faculteiten – voor de overigen kan men het alleen aanbevelen.”

“Het officiële onderwijs is Calvinistisch, al slaagt de kerk niet in volledige controle. Aan de hogescholen worden al te duidelijke afwijkingen van de kerkleer niet geduld, zoals Bayle en Van der Marck, om slechts deze te noemen, hebben ondervonden.”

Ook zaten de geestelijken in het bestuur van de scholen:

“Van de curatoren-colleges der latijnse scholen was steeds een predikant lid; zo ook van de commissies voor de armenscholen e.d.. In de dorpen, waar de koster tevens als onderwijzer dienst deed, was de band tussen de predikant en hem uiteraard al heel nauw.”

De kerk kon moeilijker haar invloed uitoefenen over wat als niet-officiëel onderwijs aangemerkt stond. Onderwijsvrijheid, waar de christelijke partijen zich thans op beroepen om het bijzonder onderwijs in stand te houden, is eerder ontstaan ondanks, dan dankzij de gereformeerde kerk:

“Tevergeefs toornden kerkraden en synoden tegen bijscholen en winkelscholen – in de plakkaten verboden, maar feitelijk toegelaten. Vooral in de steden bereikte het officiële onderwijs slechts een gering deel der jeugd; de in toenemende mate erkende organisatievrijheid ook der andere kerken moest noodwendigerwijs enige onderwijsvrijheid met zich meebrengen. Ook het verzet tegen het bezoeken van scholen buitenslands bleef vrijwel vruchteloos.”

5. Censuur

Met name op het gebied van godsdienst zelf, wist de kerk een rol als censor te vervullen. Veel hogescholen en theologische faculteiten kregen hiermee te maken. Voor overige publicaties was haar censurerende rol beperkter, behalve binnen de ambtenarij.

“Van een algemene preventieve censuur wil onze Republiek niets weten; wèl van een repressieve – bij vlagen.”

Kerkraden en synoden richtten zich proactief tot de Statencolleges met verzoeken om boeken te verbieden. Ook waarschuwde men vanaf de preekstoel voor dit of dat boek. “Niet altijd ten genoege van de wereldlijke arm” zo schrijft Andreae hierover: “zoals die Friese predikant ondervond, die zich op het Landschapshuis moest laten zeggen:

“heb jij het boekje van Descartes wel eens degelijk gelezen? Jouw lui zijn een troep weetnieten, bloeden, die ’t boekje niet eens verstaan.”

Ter nuance merkt Andreae wel op, dat sommige predikanten wel degelijk ook bevorderaars van de Verlichting waren.

6. Sociale zorg

De kerk organiseerde haar eigen zorg voor haar eigen gelovigen. De “niet-totaliteit der kerk” – zoals Andreae het niet bestaan van een staatskerk duidt – kon dus ook niet de gehele samenleving van deze armenzorg voorzien.

De kerk bezette een plaats in het bestuur van de weeshuizen en de tehuizen, die in de steden een Gereformeerd karakter droegen. Over deze kerkelijke bestuurders werd wel altijd gezegd “de predikant blijft altijd de jongste” en hij stond hiërarchisch dan ook onder de regenten. Die jongste kon echter wel de meest invloedrijke zijn, daar de predikant vaak ook de secretaris van het bestuur was.

7. Strafzaken

Wat betreft strafzaken, noemt Andreae een aantal zaken die toch opmerkelijk zijn. Het beeld ontstaat dat geestelijken veel taken op zich namen die in onze moderne samenleving met goede redenen onderscheiden zijn. Een geestelijke kon zowel de rol van psycholoog en advocaat, als OM aannemen. De kerk constateerde strafbare feiten en gaf die aan, hoorde de verdachte uit, spoorde de overheid aan tot vervolging en pleitte ook voor strafvermindering.

“Dat de kerk bij haar zielzorg het oog hield op delicten en deliquenten, spreekt vanzelf. De Overheid verwachtte ook, dat de Kerk hierin nauw met de wereldlijke arm samenwerkte.

Het werd als de plicht van de zielzorger aangemerkt, een deliquent aan te geven, of hem tot inkeer en bekentenis te bewegen. In niet weinige geruchtmakende strafzaken werd aan de dominee uitdrukkelijk verzocht, op het gemoed van de verdachte te werken.”

Ook homofielen konden maar beter niet alles opbiechten:

“De overheid werd vermaand door de predikant te vervolgen in het geval van sodomie.”

De predikanten spoorden in andere gevallen ook juist aan tot matiging:

“De belangrijkste actiepost der Kerk op deze rekening is haar invloed op de humaniséring der straf – tot het niet toepassen van de doodstraf en eenvoudige diefstal e.d., en het oprichten van tucht- en werkhuizen.”

Gegeven deze dubbele rol die de kerk vervulde, noopt het echter niet tot al te grote verbazing dat er nog genoeg werk te verzetten was voor de humanistische beweging:

“De humanistische magistraten waren het, niet de Kerk, die circa 1600 de berechtingen van toverij deden eindigen.”

De vervolging van de schilder Torrentius was ondenkbaar zonder de medewerking van de kerk – in gevallen van godslastering werd haar expertise ingevlogen.

8. Bijstand der regering

Transparantie van de overheid is ook in onze tijd nog een onderwerp van aanhoudende zorg. Zo is het ook lastig om in de tijd van de Republiek precies aan te wijzen hoeveel invloed de kerk op de het dagelijks bestuur van het land had. Dát die aanwezig was, staat echter buiten kijf:

“Niet zelden zal het advies mondeling gevraagd en gegeven zijn. Invloed van een man als Ds Hofstede op onderscheiden beslissingen van Willem IV of van Willem V is waarschijnlijk; de Arnhemse Ds Fontanus moet de stappen van stadhouder Jan van Nassau wel vaak hebben bestierd, gelijk Willem Lodewijk de impulsen van een Borgerman, van een Menso Alting onderging.”

Ook in tal van ceremoniën was de aanwezigheid van de kerk schering en inslag; “Geen landdag zonder landdagspreek!” schrijf Andreae hierover.

Interessant genoeg is er ook een taak van volksvertegenwoordiging voor de geestelijken weggelegd. Het wist signalen onder de bevolking te signaleren en deze door te spelen aan de regenten. Zo had de kerk ook de taak om als bruggenbouwer op te treden en de afstand tussen het volk en de regering te dichten.

Het volgende kan ik niet kernachtiger voor u samenvatten; daarom presenteer ik het u in de woorden van Andreae zelf:

“In het algemeen moesten vooraanstaande kerkelijken de geestelijke bijstand van regenten en magistraten als een voornaam deel van hun ambt aanmerken. […] Men hoort de Haagse kerkraden weleens klagen over de druk dezer taak. De omvang is moeilijk vast te stellen, maar we hebben de indruk, dat een voornaam deel van de taken der predikanten te dezen hierin bestond, de regenten met stromingen onder de gemeente bekend te maken en hierdoor de kloven in het publieke leven te helpen overbruggen. […]

Dit was dus betreft de gewenste bemoeiing. Doch ook ongevraagd verhief de kerk haar stem, achtte zich geroepen Gods wil bekend te maken, zoals ze deze meende te verstaan; ook in de regeringszaken juist bij belangrijke gebeurtenissen; en wel allermeest, waar de overheid niet naar kerkelijk oordeel juist scheen te handelen. Oude pretentie, reeds vanaf de oud-Christelijke tijden af, door mannen als Calvijn en John Knox met ijver voorgestaan. Het conflict is van alle tijden; maar het is niet steeds even levendig geweest en het heeft zich ten anzent, na de grote crisis der bestand-jaren, te sluimeren gelegd. […]

Het kon er ook op aankomen, het volksgeweten tegenover de Overheid te doen gelden; zo niet desgevraagd, dan ongevraagd. Het leiden èn het representeren der openbare mening in donkere tijden mocht een der belangrijkste roepingen der geestelijke leiders heten. Uit meerdere gevallen één voorbeeld: de monarchale neigingen ten tijde van prins Willem III werden terzijde gezet, toen de “beroering der gemeente” door predikanten aan de overheidspersonen werd overgebracht.”

9. Volksleven

De kerk had echter ook aandacht voor haar stichtende rol inzake de zeden en zij trad graag op wanneer zich zedelijke of godsdienstige oneffenheden voordeden. Zo trad zij op tegen de Sabbatschending, tegen luidruchtige feestvieringen, tegen kermissen, danspartijen en dergelijke; tegen drankmisbruik, toneelvertoningen, kansspelen en ontucht; tegen volksgewoonten die als bijgelovig aangemerkt konden worden; en tegen alle openbare uitingen van Rooms-katholiek of dissenters kerkelijk leven, met name tegen niet-gereformeerde openbare functionarissen.

Ook stelde de gewestelijke synoden de Staten ieder jaar op de hoogten van de stand der zedelijkheid van haar bevolking. Ieder jaar zond zij een stuk, waarin ieder jaar praktisch dezelfde klachten stonden over de losbandigheid van de bevolking, naar de regenten in Den Haag, die “dit stuk dan, meer of min beleefdelijk, voor kennisgeving aannamen, maar zich ook wel eens geprikkeld gevoelden tot vernieuwing of wijziging der desbetreffende plakkaten.” Wanneer de wetgeving was aangepast, konden de burgers, na enig tijd, vaak wel weer in ruil voor geld “recht op overtreding” krijgen, “mits zekere grenzen en vormen in acht nemende.”

In de Rooms Katholieke kerk werden er soms kerkvisitaties gehouden waarbij dan vragen werden gesteld. De antwoorden werden vervolgens doorgespeeld aan de overheid. “Kerkelijke organen als opsporingsambtenaren!” schrijft Andreae hierover. Mettertijd namen deze praktijken echter wel af.

10. Voorbidding

Bij lokale of nationale gebeurtenissen heerste er het gebruik om bid- en dankdagen uit te schrijven. Die werden dan op volledige kosten van de overheid gepubliceerd.

Conclusie

We kunnen zien dat in de tijd van de Republiek de kerk zich veel verder waagde in wereldlijke taken dan nu het geval is. Kerkelijken zetelde in bestuursfuncties of boden hulpverlenende taken aan.

“Het blijft alles echter een incidenteel karakter behouden. De onvolkomen aansluiting geeft het verschil in geaardheid van het geestelijke/kerkelijke en het wereldlijk/bestuurlijke leven goed weer. Onze Kerk was geen staatskerk; onze staat geen ecclesiocratie. Over het algemeen bleven de sferen gescheiden.”

Vooruitblikkend op de Bataafse Republiek, waarbij de scheiding tussen kerk en staat werd ingevoerd en kerkelijke ambtdragers geheel met de gewone burgers werden gelijkgesteld, constateert Andreae dat de patriotse dominees een sterk maatschappelijk overwicht hadden – vooral op het platteland. Zij werden veelal de leiders van kiesvergaderingen en tot voorzitters van municipaliteiten verkozen.

Daarop kwam uiteindelijk de reactie dat geestelijken werd verboden om nog enig wereldlijke functie te bekleden.

“Dat bij de constitutie van 1806 het lidmaatschap van enige kerkelijke gemeente voor elk staatsburger verplicht werd gesteld, was import: een totalitair-kerkelijk beginsel, dat hier niet goed aansloeg. Nog minder het beginsel der Inlijving van 1810, het napoleontische, volgens hetwelk de geestelijken ambtenaren der burgerlijke gemeenten zouden zijn, uit gemeentekas betaald.”

Nederland kan bogen op een lange traditie van secularisme. Staatskerken zijn dit land vreemd, en kerken hebben langzaam maar zeker hun rol in de wereldlijke domeinen zien teruglopen. Of om te beeindigen met de woorden van Andreae: “scheiding van kerk en staat zou er zijn en blijven.”

Bardot, Fallaci, Houellebecq en Wilders ~ Paul Cliteur

Paul Cliteur betoogt in Bardot, Fallaci, Houellebecq en Wilders dat de vrijheid van meningsuiting moet worden verdedigd. Hij geeft op heldere wijze aan dat de vrijheid van meningsuiting te lijden heeft onder een misvatting van het concept tolerantie. Tolerantie betekent namelijk eigenlijk dat men zich tolerant opstelt ten opzichte van meningen waarmee men het juist niet eens is. Multiculturalisten menen echter dat tolerantie betekent dat niemand dingen mag zeggen die door bepaalde groepen als beledigend kunnen worden beschouwd. Als meningen worden verboden omdat zij beledigend zouden zijn, gaat het echter in rap tempo berg afwaarts met de vrijheid van meningsuiting.

lees meer

Wat is het atheïsme en wat gelooft een atheïst?

Door sommigen wordt het atheïsme gezien als een religie zoals het christendom, jodendom of de islam. Dat is onjuist. In werkelijkheid zijn atheïsten een heterogene groep die slechts één zaak met elkaar gemeen hebben: zij hebben een afwijzende houding ten opzichte van het “theïsme”.

lees meer

Machteld Zee uitgeroepen tot atheïst van het jaar 2017

Machteld Zee is uitgeroepen tot atheïst van het jaar 2017. Dat gebeurde op een bijeenkomst van het Atheïstisch Verbond. Reden tot de uitroepen was haar boek ‘Heilige Identiteiten, op weg naar een shariastaat?’.

lees meer

10 merkwaardige manieren waarop de kerk als staat optreedt tijdens de Republiek

De kerk op wereldlijk terrein onder de republiek , door Mr. S.J. Fockema Andreae (1952) De scheiding tussen kerk en staat in Nederland is niet iets dat abrupt tot stand is gekomen. Daarentegen is het een geleidelijk proces geweest, dat met horten en stoten langzaam de...
lees meer

Juridische blik op de scheiding tussen kerk en staat van Remco Nehmelman

Remco Nehmelman over de Scheiding tussen kerk en staat in Nederland Remco Nehmelman is professor publiek organisatierecht en was eerder werkzaam als hoofddocent staats- en bestuursrecht te Utrecht. In die hoedanigheid weet hij aan de hand van jurisprudentie een...
lees meer

De Seculiere Kieswijzer

De seculiere kieswijzer 2017 is een initiatief van secularisme.nl . In aanloop naar de verkiezingen van 15 maart 2017 deden wij onderzoek naar de rol van religie in de verkiezingsprogramma's van alle Nederlandse politieke partijen.  Centraal daarbij stond de...
lees meer

Wie is er bang voor Mohammed? Marcel Hulspas boekrecensie

Politiek en islamkritiek zijn de afgelopen jaren steeds meer met elkaar verweven geraakt. Het is Marcel Hulspas in 'Wie is er bang voor Mohammed?' daarentegen gelukt om een overzicht te geven van de belangrijkste elementen en ontwikkelingen van de islam zonder daarbij...
lees meer

De Noodzaak van moreel en politiek secularisme Paul Cliteur

Volgens Paul Cliteur zijn er 5 manieren waarop de staat zich tot religie kan verhouden. Tussen het volledig uitbannen van religie enerzijds en de theocratie anderzijds zit de gulden middenweg: de religieus neutrale staat.

lees meer

Islamisering daar zit een keurig plan achter

Door Marcel Hulspas. Nu lijkt Indonesië dus aan de beurt. Alhoewel de rechtszaak tegen gouverneur Ahok van Jakarta nog zeker niet is afgerond (de zaak wordt hervat op 3 januari), kan de hele affaire nu al beschouwd worden als een grote overwinning van de conservatieve...
lees meer