In gesprek met Eppo Bruins: Religieus Onderwijs (ChristenUnie) • Het Secularisme Instituut

Eppo Bruins is Kamerlid voor de ChristenUnie en o.a. actief als woordvoerder onderwijs. Als onderdeel van ons onderzoek naar de meningen van de Kamerleden over religieus onderwijs, raakten wij in gesprek met dhr. Bruins.

Hieronder vindt u de reactie van Eppo Bruins op onze vragen over het bijzonder onderwijs, dat wij hier met zijn toestemming publiceren. Dhr. Bruins doet zijn visie op het historische belang van de onderwijsvrijheid uit de doeken.

Onderhand zijn wij verwikkeld in een interessante dialoog over godsdienstvrijheid, de vrijheid van vereniging en de vrijheid van onderwijs. De verdere correspondentie zal wellicht nog later op deze website verschijnen. Hier vindt u alvast de eerste editie van In gesprek met Eppo Bruins over religieus onderwijs.

Eppo Bruis over religieus onderwijs…

 In 1609 arriveerde een groep Engelse protestantse christenen in Nederland. Zij waren op zoek naar een woonplaats waar zij hun manier van leven en geloven vrij konden uitoefenen. In Engeland, waar de staatskerk en koning James I regeerden, was weinig ruimte voor deze mensen en hun sobere, Bijbelvaste leefgemeenschap.

Deze groep Engelse geloofsvluchtelingen kwam terecht in Leiden, waar zij 11 jaar woonden achter de huidige Kloksteeg. Ze waren niet rijk en ze vonden de Nederlandse samenleving veel te losbandig, maar ze hadden wel vrijheid om te geloven, gewetensvrijheid en vrijheid om samen te komen.

Om als hechte gemeenschap bijeen te blijven en hun manier van leven in stand te houden, vertrok in 1620 een deel van deze Engelse gelovigen naar het nieuwe en nog grotendeels onontgonnen Amerika. Zij sloten zich bij een groep landgenoten in Engeland aan en staken de oceaan over in de Mayflower. Deze Pilgrim Fathers staan aan de basis van de Amerikaanse moderne geschiedenis en zij namen de typisch Nederlandse vrijheden mee naar hun nieuwe land: gewetensvrijheid, geloofsvrijheid en vrijheid om in geloofsgemeenschappen te leven op de manier die je zelf kiest.

Dat Nederland een sleutelrol heeft gespeeld in dit beslissende moment in de wereldgeschiedenis, is geen toeval. De Pilgrim Fathers kwamen tijdens de Tachtigjarige Oorlog naar Leiden. De belangrijkste inzet van de Tachtigjarige Oorlog in de Nederlanden was juist geloofsvrijheid. De Nederlandse calvinisten waren hevig vervolgd door de Spaanse overheerser en zij vochten met overtuiging voor hun vrijheid om te geloven wat ze wilden. En met succes. Na de overwinning op de Spanjaarden bleef het tot 1795 zo dat de nationale overheid zich niet bemoeide met religie. Dat werd overgelaten aan de samenleving. Ook de zuidelijke gewesten, die nog onder invloed van de roomse kerk stonden, hadden de vrijheid om religie op hun manier te organiseren. Onder één voorwaarde: niemand mocht om zijn persoonlijk geloof worden lastiggevallen. Niet door de kerk en niet door de staat. In die tijd werd religieuze eenheid nog gezien als voorwaarde voor het voortbestaan van de staat. Het is dus heel bijzonder dat dat in Nederland werd losgelaten: diversiteit zonder dwang was juist hét kenmerk van Nederland vanaf haar ontstaan.

De praktijk was helaas minder mooi dan hierboven beschreven. Al gauw na het vastleggen van de geloofsvrijheid in 1572 werden in de noordelijke provinciën de katholieken door de staat als tweederangburgers bestempeld. De vastgelegde scheiding van kerk en staat was in de praktijk lang niet zo strikt en burgers die van de ‘goede kerk’ waren kregen meer privileges. Zo zie je dat macht toch altijd weer een rol speelt zodra één bevolkingsgroep de dominante denkrichting in een samenleving vormt.

Toen Nederland onder Franse invloed kwam, verdween de godsdienstvrijheid en de scheiding van kerk en staat met rasse schreden.

Na 1795, toen Nederland onder Franse invloed kwam, verdween de godsdienstvrijheid en de scheiding van kerk en staat met rasse schreden. Toen Nederland in 1806 een nieuwe grondwet kreeg en Lodewijk Napoleon het koningschap over Nederland aanvaardde, werd bij wet vastgelegd hoe kerkgenootschappen moesten worden bestuurd, hoe zij zich verhoudden tot de staat en hoe kerkdiensten moesten worden vormgegeven. De kerkelijke leer werd een overheidszaak.

LEES OOK:  Waarom de-secularisatie in Turkije een crash in slow motion is

In datzelfde jaar begon de staat wetten te maken over de inrichting van het onderwijs. De Nederlandse onderwijswet van 1806 regelde van 1806 tot 1857 het lager onderwijs. Leraren werden verplicht vanaf 1806 klassikaal les te gaan geven. De oude manier van lesgeven (het zogenaamde hoofdelijk onderwijs), werd verboden. Het onderwijs had de bedoeling zowel de “maatschappelijke als de christelijke deugden” te onderwijzen. Landelijke inspectie hield toezicht of de nieuwe schoolregels werden nageleefd. Ouders werden verplicht schoolgeld te betalen.

Ook kwam toen al gauw de gedachte van staatsonderwijs als middel om het volk te verheffen. De overheid als neutrale macht die weet wat goed is voor de kinderen.

Al die eeuwen daarvoor was de scheiding van kerk en staat in ons land gewaarborgd: de overheid kroop niet in jouw hoofd, bepaalt niet hoe jij moet denken, wat je moet vinden of wat je wilt geloven. Staatsgestuurd onderwijs confronteert mensen ten diepste met de vraag: worden waarden en normen doorgegeven door de gemeenschap, de school, de vereniging, het dorp waar men opgroeit, of mag de staat bepalen wanneer je een goede burger bent? Gelukkig is het in ons land zo geregeld dat de overheid normen stelt aan gedrag: wat jij doet, en vooral wat jij een ander aandoet, wordt beperkt door wetten en regels. Maar wat jij denkt, vindt of gelooft, daar gaat de staat niet over. Staatsgestuurd onderwijs creëerde vanaf 1806 eigenlijk een nieuwe vermenging van kerk en staat. De staat zorgt voor de vorming van verlichte burgers en streeft zo naar de ideale samenleving. Deze liberale (en later ook socialistische) verlichtingsgedachte heeft in Nederland nooit echt voet aan de grond gekregen.

Na van het juk van de Fransen bevrijd te zijn, ontstond het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden. Om de macht van de koning in te perken en een democratie in te voeren, schreef de liberaal Thorbecke een nieuwe grondwet. Vanaf het moment dat in 1848 onderwijsvrijheid ontstond onder deze grondwet, verenigden ouders van allerlei gezindten zich om overal in het land bijzondere scholen te stichten. Vanaf 1848 ontstond, na een halve eeuw, weer de vrijheid om je kinderen op te voeden, te vormen en te onderrichten op de manier zoals je dat als ouders het beste vindt voor je kind. Al werden deze scholen niet bekostigd, er was wel grote behoefte aan deze bijzondere scholen die voortkomen vanuit de samenleving, de gemeenschap, naast de scholen die vanuit de staat werden gesticht. Met de leerplicht die op 1 januari 1901 inging, bleek de behoefte aan ‘een school die bij je past’ nog groter te worden.

Het werd door velen dan ook als een overwinning gevoeld toen vanaf 1917 het bijzonder onderwijs niet langer financieel werd achtergesteld ten opzichte van het openbaar onderwijs. Deze gelijkstelling is vervat in het huidige Artikel 23 van de grondwet.

Met Artikel 23 erkent de overheid dat zij niet voor de burgers bepaalt wat je moet vinden, denken of geloven. Met Artikel 23 erkent de overheid dat alle levensvisies, alle mensvisies, alle wereldbeschouwingen, alle manieren van kijken naar de maatschappij gelijkwaardig zijn en dat de overheid niet bepaalt welke van die visies daar bovenuit steekt of privileges heeft. Artikel 23 is de belichaming van de scheiding van kerk en staat. Artikel 23 is de vastlegging van vier eeuwen strijd voor gewetensvrijheid, geloofsvrijheid en de vrijheid de samenleving van onderop te organiseren.

LEES OOK:  Waarom de-secularisatie in Turkije een crash in slow motion is

Het is dan ook onbegrijpelijk dat er een roep is om het bijzonder onderwijs niet meer te financieren of zelfs te verbieden. Bijzonder onderwijs zou ook niet meer ‘van deze tijd’ zijn. Maar wie bepaalt wat ‘van deze tijd’ is? De overheid of de ouders? Het onderwijs zou een afspiegeling van de samenleving moeten zijn — dat is juist wat Artikel 23 mogelijk maakt omdat dankzij Artikel 23 iedereen het recht heeft zich te verenigen en een school te starten.

De roep om de afschaffing van Artikel 23 komt politiek van links én rechts, van liberaal en socialistisch.

De roep om de afschaffing van Artikel 23 komt politiek van links én rechts, van liberaal en socialistisch. Beide stromingen zijn kinderen van die Franse revolutie. Het opmerkelijke is dat Artikel 23, toen ons land nog overwegend christelijk was, juist het voortbestaan van openbare scholen in iedere gemeente heeft beschermd. Ook in regio’s waar maar weinig behoefte was aan openbaar onderwijs, zorgde de gemeente ervoor dat het beschikbaar bleef voor ouders die hun kind daar graag naar toe wilden sturen. Nooit was er een roep vanuit christelijke partijen (of vanuit andere stromingen) om het openbaar onderwijs op te heffen. En ook nu zijn er regio’s waar openbare scholen ternauwernood het hoofd boven water houden. Artikel 23 beschermt de diversiteit aan scholen en de keuzevrijheid van ouders, zowel openbaar als bijzonder. En regelt de gelijke bekostiging.

Dat bijzonder onderwijs niet meer van deze tijd is, is een idée fixe. Het is gelijkheidsdenken, de egalité. Het is de liberale én socialistische droom dat je kinderen tot hun 18e niet moet confronteren met religieuze gedachten zodat ze zonder waanideeën kunnen opgroeien tot gezonde burgers. Het is een aanval van orthodox-religieuze aanhangers van het Verlichtingsgeloof.

Een neutrale overheid bestaat niet en neutraal onderwijs evenmin. Iedere leraar heeft een wereldbeeld, een mensvisie, een levensbeschouwing van waaruit hij denkt en handelt. Alle volwassenen in de nabijheid van kinderen zijn rolmodellen en het is verstandig en eerlijk om er open over te zijn vanuit welk perspectief de leraar zijn lessen geeft. Geloof trek je niet bij de voordeur uit als een jas die je hangt aan de kapstok. Bij 1+1=2 kun je je nog neutraal opstellen. Maar onderwijs gaat over vorming, toerusting en wijsheid, niet over kennis en nog minder over informatie. De achtergrond van de leraar, van het team en van de school kleurt het onderwijs. Ook bij openbare scholen! Bijzonder onderwijs is niet religieus onderwijs. Het is onderwijs waarin men duidelijk is vanuit welke levensvisie onderwijs wordt gegeven.

Boek suggestie van Eppo: De Christen en de Farizeeër