Sporen van God en het ongemakkelijke vacuüm dat hij achterliet • Het Secularisme Instituut

God is als handig model van het universum eeuwenoud

Zolang als de mens bestaat, heeft zij getracht zich een beeld te vormen van de wereld om haar heen. De tekeningen op rotswanden van dieren, de mythen over de goden en het ontstaan van de wereld, de Veda’s, het geocentrische model van het zonnestelsel van Ptolemaeus en het heliocentrische van Copernicus: allen delen zij in verschillende gradaties en omvattendheid met hetzelfde subject – de wereld om ons heen en het model waarmee zij het beste te begrijpen valt. Ook de Abrahimitische religies en zelfs de kwantummechanica of de supersnaartheorie zijn uitingen van dezelfde zucht des mens om vat te krijgen op de wereld – om haar ogenschijnlijk oneindige complexiteit te simplificeren of begrijpbaar te maken.

Convergentie van verklarende (religieuze) wereldmodellen

Ofschoon de vele modellen die door de eeuwen heen zijn geopperd sterk van elkaar verschillen, zich vaak lange tijd los van elkaar hebben ontwikkeld, ook lang niet altijd met elkaar verzoenbaar zijn noch altijd eenduidig in één enkele richting lijken te bewegen; moet men toch erkennen dat, wanneer men het perspectief van boven neemt, er in de macrogeschiedenis een duidelijke convergentie te ontwaren valt:

  • De kans dat de krachten die de wereld hebben geschapen antropomorfisch worden beschreven neemt af naarmate men onze huidige tijd nadert.
  • De metafysica wordt minder vaak aangehaald wanneer een nieuwe generatie een fysische verklaring voor een bepaald fenomeen heeft gevonden.
  • Concepties over het Zijn van God worden in de regel telkens abstracter.

Waar Elohiem in de eerste geschriften van de Joden worstelde met Abraham in Zijn verschijning van vlees en bloed, sprak Hij later nog slechts tot Mozes in de gestalte van een brandende braamstruik. Later ontstond het gebruik om godsbewijzen te geven, zoals Aristoteles deed toen hij God’s bestaan noodzakelijk achtte vanwege zijn rol als prima causa, De Eerste Beweger. In de middeleeuwen formuleerden Anselmus van Canterbury en Thomas van Aquino nog meer van dergelijke argumenten. Vanaf de vroegmoderne periode won het deïsme aan populariteit, dat in navolging van Spinoza God begon te vereenzelvigen met de natuur en nog later kwam men er openlijk voor uit niet in enig metafysische entiteit te geloven – een ontwikkeling die in onze tijd in een stroomversnelling is geraakt en wier proponenten bekend staan als atheïsten.

Zo ziet men God zich steeds verder van het tastbare onttrekken, en de crux is dat deze ontwikkeling niet op zichzelf staat. De ontwikkeling van het paradigma dat de wereld verklaart en God’s rol daarin bepaalt, loopt analoog met ontwikkelingen op het vlak van taal, cultuur, wetenschap, techniek, geschiedenis en samenleving. Er is sprake van wederzijdse beïnvloeding tussen al deze terreinen en het Godsbeeld. ‘God’, om zo te zeggen, inspireerde architectuur, schepte nieuwe woorden door de discussie over zijn aard, gaf betekenis aan en bepaalde soms ook de loop van de geschiedenis; hij ordende, verbond, maar verdeelde ook samenlevingen. Er waren tal van proposities over Zijn aard en die veronderstellingen veranderden gedurende de tijd. Elke ontwikkeling in de geschiedenis van de mens deed een facet van God afsterven en deed een nieuwe opbloeien. Er was echter één factor die God continue afbrak, zonder ruimte vrij te maken voor een nieuwe interpretatie – en dat was de wetenschap.

Wetenschap als tamelijk abrupt einde in God’s ‘histoire longue durée’

Waar religie eens in haar alomvattendheid blonk en een verklaring voor praktisch alles vormde, zij het niet feitelijk, dan wel in potentie; verloor zij door het voortschrijdend inzicht van de mens steeds meer van haar verklarende kracht.

Eens voer de zonnegod Ra iedere dag zijn schip door de hemelen en daarmee werd het opgaan van de zon verklaard. ’s Avonds spuwde hij de andere goden uit en blonken die als sterren aan de hemel, waarmee het verschijnen daarvan ook begrijpelijk werd gemaakt. Eens was Zeus in het Mediterraanse gebied de verklaring voor het gedonder en schichten aan het zwerk en eens was Thor dat rond de Oostzee. Eens schiep God de vrouw uit de rib van Adam en daaraan ontsproten alle telgen van het menselijk genus.

Thans draait de aarde om de zon en zijn de sterren niets dan soortgelijke gigantische nucleaire smeltovens. Statische elektriciteit verklaart de bliksemschichten en evolutionaire biologie schijnt haar licht over het ontstaan van de mens: ofschoon het de verklaring van het begin van het leven voorlopig nog verschuldigd blijft, weet men wel zeker dat niet een rib, maar een ééncellig organisme haar verre voorvader is.

Met deze inzichten heeft het succesverhaal van de menselijke kennisverschaffing God verdrongen van het wereldtoneel als grote speler, althans in intellectuele zin. God is in deze lezing verworden tot een restcategorie: al hetgeen nóg niet verklaard is, dáár is ruimte voor een rol van God. Zou God dan toch het eerste zetje hebben gegeven dat levenloze materie plotsklaps deed voortplanten? Hier vestigen sommigen hun hoop voor de rol van God tegenwoordig op.

Toch is God nog lang niet verdwenen uit de wereldgeschiedenis, ofschoon zijn verklarende kracht geleidelijk tot nul convergeert. De vraag is nu: wat verklaart de opmerkelijke persistentie van religie in onze tijd?

Religie en cultuur: waarom religie zo persistent is

Een deel van het antwoord waarom religie zo persistent is, is ‘s mijns inziens dat God meerdere functies heeft vervuld in de geschiedenis van de mens. Ook weet de mens God goed aan te passen aan de vragen van de tijd. Waar God thans in de regel als een transcendente entiteit wordt beschouwd, die zo ver weg staat van het aardse dat Hij amper te beschrijven valt in menselijke termen; waar Hij op een soms zelfs kille, rationele wijze wordt gepostuleerd om een oorzaak van bijvoorbeeld de oerknal zelf te geven: daar vervulde God niet altijd deze functie en bekleedde hij ook andere. In de eerste mythen van de Sumeriërs en Babyloniërs, ontstonden goden als Tiamat uit een goddelijke oermaterie, zonder dat men daarbij zich afvroeg waar die oermaterie dan vandaan kwam. Hoe schil staat dit in contrast met de argumenten die nu voor het bestaan van God worden gegeven; die hem als verklaring gebruiken voor al dat bestaat – waaronder diezelfde oermaterie zou vallen?

Kennelijk vond men al nut voor goden of God ver voor hij zich in onze verbeelding van de wereld had teruggetrokken. Toen bij aanvang van de sedentaire samenlevingen de mens nog een overwegend lokaal wezen was, wist godsdienst een supralokale identiteit te faciliteren, wat beargumenteerbaar goed van pas kwam bij de bevordering van lokale vrede (of cynischer, het onder de duim houden van de bevolking) en handel. God was een uiting van cultuur, dat verbondenheid met een abstracte groep boven het individu mogelijk maakte. Het was een gemene deler die betekenis gaf aan het alledaagse leven. Dit culturele element is, onder andere, wat thans de hardnekkigheid van religie constitueert.

De ondergang van religie

Toch lijkt religie niet aan haar onvermijdelijke lot te kunnen ontkomen, gegeven dat de problemen in de wereld als klimaatverandering, nucleaire wapens en religieus sektarisme de menselijke vooruitgang niet vroegtijdig doen stranden of in een infaam apocalyptisch scenario geheel tot een halt roepen.

Als ik nadenk over de ondergang van religie overvallen verschillende en tegengestelde gevoelens mij. Enerzijds ben ik blij dat het leed daarmee een halt toe wordt geroepen dat door de geschiedenis heen zo vaak uit religie is voort komen vloeien. Trots ben ik, dat steeds meer mensen het heft in eigen handen nemen en de uitdaging accepteren om zelf te bepalen wat goed en wat slecht is, zonder daarbij te vervallen in het intellectuele gemak van referenties aan dogma’s. Anderzijds lijkt er ook wat verloren te gaan wanneer Zola’s laatste steen van de laatste kerk, op de laatste priester valt.

De uitdaging van de 21ste deel: het vacuüm vullen dat God achterliet

Behalve dat de culturele component al slechts een vage aftekening is van wat het voorheen was, lijkt de spirituele verdieping die vroeger met religie gepaard ging een vacuüm achter te laten.

Religie is/was een verbindende factor in het creëren van lokale gemeenschapszin, één die generaties overstijgt. De meest prachtige gebouwen in de de geschiedenis van de mens zijn geïnspireerd door een godsbesef. Het is niet ondenkbaar dat de wetenschappelijke revoluties, die onze tijd tot een klinkklare anomalie in de geschiedenis hebben gemaakt, zo snel tot een verandering van ons wereldbeeld hebben geleid, dat wij daarmee de functionaliteit van religie de nek om hebben gedraaid zonder daarvoor direct een geschikt alternatief te hebben, of zelfs maar te overzien wat zoiets zou kunnen zijn.

Ik zou willen betogen dat deze positieve functionaliteit van God op een seculiere manier zou moeten worden vervangen. Één die verzoenbaar is met de huidige staat van de wetenschap en daarmee niet tot intellectuele ontrouw leidt. Hoe lastig te vinden ook; daarmee wordt niet alleen een aanstaand gemis geamendeerd – het versoepelt ook het proces van secularisatie, dat thans op zoveel frictie stuit.

‘Atheïstische christenen’ – een contradictio in terminis?

Ik heb altijd met verwondering waargenomen dat wereldwijd een zeer grote groep zich atheïstisch christen, atheïstisch moslim, enzovoorts noemt. Op de keper beschouwd is dit namelijk de grootst mogelijke interne contradictie die men zich voor kan stellen: atheïsme betekent letterlijk het niet zijn van een theïst; en het christendom, de islam en het jodendom zijn theïstische godsdiensten. Hoe kan het dan zijn, dat zoveel mensen deze contradictio in terminis niet opvalt, of in elk geval negeert? Het heeft immers letterlijk de logische structuur van: [‘niet A’ en ‘A’].

Klaarblijkelijk is er meer aan de hand dan de enge acceptatie en negatie van een logische set dogma’s wanneer men zich deze dubbele identiteit aanmeet. Anders dan dat deze mensen appelleren aan het accepteren van twee contradictoire logische sets, verenigen zij twee verschillende identiteiten in zich wanneer zij zichzelf op deze manier beschrijven. Het is een belangrijke indicatie dat een lezing van religie in de moderne wereld verder moet gaan dan een strikt logische benadering. Een ‘atheïstische moslim’ voelt zich verwant met de rationele traditie en misschien ook aan de verlichtingsgeest, terwijl hij zich cultureel nog dichtbij de gebruiken en gewoonten voelt staan die al generatie op generatie op nieuwe telgen van de culturele genus worden overgedragen. De vereniging van het logisch onverzoenbare wordt niet als tegenstrijdig ervaren omdat het culturele element als onverminderd belangrijk wordt ervaren. Het vacuüm dat God achterliet, wordt hier op een ongemakkelijke manier gestut, door twee logische constructies aan elkaar te lijmen die niet met elkaar te rijmen vallen.

Nalatige verwarring van termen vertroebelt het debat rond ‘religie’ en ‘religieuzen’

Dat maakt de zaak dus complex. Cultuur wordt niet volledig bepaald door religie en omvat ook elementen die in een specifieke volksaard zitten – gebruiken van seculiere aard die volstrekt los staan in ontstaan en inhoud van het religieuze domein. Maar religie doordesemt desalniettemin de cultuur op diverse wijzen en veel gebruiken die als cultureel te boek staan, kennen hun oorsprong in religie en zijn ontstaan vanwege een gegeven opvatting over de manier waarop God zich tot de mens en de wereld verhoudt. Het is onmogelijk om in te schatten aan welke culturele gebruiken een individu, dat zich zowel atheïst als theïst noemt, zich wel en niet committeert. Het verschilt van individu tot individu waar de scheidslijn wordt getrokken.

Dat komt het debat niet bepaald ten goede. De verwarring van het religieuze en het culturele is een van de redenen dat het debat over religie en de plaats die zij mag hebben in de staat, kan rekenen op hoog oplaaiende emoties. Kritiek op consistentie van argumentatie wordt snel opgevat als kritiek op iemands persoon of in elk geval op diens culturele identiteit. Voor een gedeelte is dit laatste ook terecht, namelijk exact daar waar religie en cultuur samenvallen. Maar identiteiten zijn nu eenmaal niet heilig.

Anderzijds vertroebelen de individuen die selectief zijn in het adopteren van religieuze dogma’s de problemen die met religie gepaard gaan: sommige elementen van een religie worden door sommigen wél en door anderen niet nageleefd – en beiden betichten niet zelden de ander ervan geen ‘ware’ moslim of christen of wat dan ook te zijn. Daardoor voelen veel meer mensen zich gekwetst wanneer religie wordt bekritiseerd, dan het geval zou zijn wanneer men zich niet op louter culturele gronden met een godsdienst zou affiliëren.

Een zaak die in elk geval onmiddellijk duidelijk wordt, is dat personen slechts in zekere mate dragers zijn van de dogma’s van een gegeven religie. De meeste gelovigen pikken de krenten uit de pap. Sommigen nemen er een lepel pap bij en in zeer uitzonderlijke gevallen wordt de hele kom geconsumeerd. En dat is naar mijn mening maar goed ook, want de wereld zou er een stuk grimmiger uitzien wanneer elke jood of christen Deuteronomium serieus zou nemen en opstandige kinderen zouden stenigen; of wanneer iedere moslim elke atheïst die hij tegenkomt kokend water zou laten drinken, zoals ik eens te vaak in de Koran gelezen heb.

Die verschillende gradaties waarmee religies worden nageleefd, betekent echter wel dat het lastig is om haar symptomen te bestrijden. Als de hele gelovige gemeenschap ieder woord letterlijk zou nemen, dan zou het wellicht seffens duidelijk zijn dat de enige manier om hel op aarde te voorkomen, zou zijn om alle religies simpelweg te verbieden. Dan moet duidelijk zijn dat (de ethisch onderbouwde) universele mensenrechten toch echt het primaat hebben boven een duidelijk appèl aan autoriteit.

Aangezien dat echter niet het geval is, volstaat een duidelijk geformuleerde afbakening van het domein dat religie binnen de samenleving (en buiten de staat) in mag nemen. Religies vatten immers ook goede elementen in zich, ofschoon daarmee niet geïmpliceerd moet zijn dat die goede elementen uitsluitend via de religieuze weg bereikt kunnen worden. Er moet dan ook (zelfs ook zonder het argument vanuit vrijheid), in elk geval zolang God nog niet volledig is vervlogen en zolang ‘binnen de kaders van de wet’ in ons wetboek blijft staan, aan de religieuze gemeenschap de ruimte worden geboden om goed te leven vanuit de diverse religieuze invalshoeken. Alleen zo zal de transitie naar een wereld zonder God, die noodzakelijk volgt uit de trend van op rationele leest geschoeide paradigma verschuivingen, vreedzaam kunnen verlopen.

Laat theoterroristen niet in het vacuüm springen

Dat de wetenschap een vacuüm heeft geslagen in de functionaliteit van God voor de mens, zou tevens een deel (en ik zeg dus heel duidelijk: slechts een deel) van de verklaring kunnen vormen van de ontwikkeling die nu in de wereld gaande is, waarbij sommige groepen terugvallen in wat men de religieuze reflex zou kunnen noemen. Een verheerlijking van wat de ware leer wordt geacht, ligt aan de wortels van onder andere de Moedjahedeen, Al-Qaida, Boko Haram, Taliban en de Islamtische Staat – doorgaans gevat onder de verzamelterm ‘(theo-) terroristen‘.

Veel, zo niet alles van de ideologie van deze partijen valt rechtstreeks te herleiden tot het religieuze corpus van de islam waarop zij zich baseren, maar toch blijft de vraag onbeantwoord wat de fundamentele oorzaak is van het gegeven dat deze meest extremistische uitwassen van de doctrine thans op zoveel aandacht en animo weet te bogen. Religie is kneedbaar en heeft door de geschiedenis heen onder haar vlag vaak protesten tegen zowel lokale als transnationale ontwikkelingen weten te verenigen. Zonder van een culpa te spreken en de schuld te geven aan de individualiserende en globaliserende trends uit de contemporaine geschiedenis (een schuld die het ook zeker niet eenzijdig ten deel valt), lijkt een verklaring voor de vernieuwde religieuze geestdrift niet aan deze thema’s voorbij te kunnen gaan. Maatschappij en religie zijn immers onlosmakelijk met elkaar verbonden, zolang beiden bestaan.

Deze ontwikkelingen hebben bewezen een niet te onderschatten bedreiging te vormen voor wat ook wel men de Vrije Wereld noemt. Deze laatste ziet zich geconfronteerd met antagonistische groepen, die kristal helder voor ogen hebben waar zij voor staan, wat zij willen bereiken en hoe zij dat willen doen. Wat het antwoord van de Vrije Wereld daarop is, lijkt echter niet zonder meer voor de hand te liggen. Wat er in het Westen en in het bijzonder Europa feitelijk is gebeurd, is dat er een implosie van de Christelijke wereld heeft plaatsgevonden. In een ongekend snel proces, dat al zeker vanaf de Verlichting in werking is getreden, heeft het Westen haar morele waarden, metafysische aannames, wereldbeeld, natuurbegrip en de plaats van mens en God daarin telkens opnieuw vervangen. Natuurwetten bleken universeel te zijn en het idee vatte post dat ook rechten en ethiek dat moesten zijn. Het Westen lijkt soms in haar drang naar universaliteit haar gevoel voor eigenheid en identiteit te hebben verloren. Dit mag men paradoxaal noemen, want deze ontwikkeling maakt haar ook juist uniek.

Alexander de Bree

Alexander de Bree

Hoofdredacteur

Alexander de Bree is Hoofdredacteur van secularisme.nl. Hij schreef zijn scriptie over het ontologisch godsbewijs van Anselmus of Canterbury. Daarin beschreef hij o.a. hoe het godsbewijs zich verhoudt tot de logica van Aristoteles en wat het juist uniek middeleeuws maakte. Ook besteedde hij aandacht aan de (naar zijn mening) terechte moderne kritieken.

Alexander heeft nog meer hobbies dan schrijven over religies en zichzelf in de derde persoon beschrijven. Zijn aandacht gaat momenteel vooral uit naar componeren, investeren en programmeren.