Blog • Het Secularisme Instituut

Is Google God? De Kerk van Google

Is Google God? 'De Church of Google' denkt van wel   Heb je weleens de gedachte gehad dat Google best wel veel eigenschappen heeft die traditioneel aan God worden toegeschreven? Ik in ieder geval wel, en we zijn de enige niet.. Er is zelfs een website opgericht...

Bardot, Fallaci, Houellebecq en Wilders ~ Paul Cliteur

Paul Cliteur betoogt in Bardot, Fallaci, Houellebecq en Wilders dat de vrijheid van meningsuiting moet worden verdedigd. Hij geeft op heldere wijze aan dat de vrijheid van meningsuiting te lijden heeft onder een misvatting van het concept tolerantie. Tolerantie betekent namelijk eigenlijk dat men zich tolerant opstelt ten opzichte van meningen waarmee men het juist niet eens is.

Wat is het atheïsme en wat gelooft een atheïst?

Door sommigen wordt het atheïsme gezien als een religie zoals het christendom, jodendom of de islam. Dat is onjuist. In werkelijkheid zijn atheïsten een heterogene groep die slechts één zaak met elkaar gemeen hebben: zij hebben een afwijzende houding ten opzichte van het “theïsme”.

De Seculiere Kieswijzer

De seculiere kieswijzer 2017 is een initiatief van Het Secularisme Instituut . In aanloop naar de verkiezingen van 15 maart 2017 deden wij onderzoek naar de rol van religie in de verkiezingsprogramma's van alle Nederlandse politieke partijen. Centraal daarbij stond de...

Islamisering daar zit een keurig plan achter

Door Marcel Hulspas. Nu lijkt Indonesië dus aan de beurt. Alhoewel de rechtszaak tegen gouverneur Ahok van Jakarta nog zeker niet is afgerond (de zaak wordt hervat op 3 januari), kan de hele affaire nu al beschouwd worden als een grote overwinning van de conservatieve...

Is Google God? De Kerk van Google

Is Google God? De Kerk van Google

Is Google God? ‘De Church of Google’ denkt van wel

 

Heb je weleens de gedachte gehad dat Google best wel veel eigenschappen heeft die traditioneel aan God worden toegeschreven?

Ik in ieder geval wel, en we zijn de enige niet..

Er is zelfs een website opgericht genaamd de ‘Church of Google’, compleet met een eigen Reddit community.

Daar geven ze maar liefst 9 ‘godsbewijzen’ dat Google God is, waaronder de drie bekende eigenschappen van God, namelijk omnipotence, omniscience en omnibenevolence:

 

  • Google is iets dat het dichtste in de buurt komt van een alwetend wezen dat we kennen  
  • Google is bijna overal ter wereld aanwezig, met miljarden websites
  • Google beantwoordt al je gebeden: vraag het Google, en gij zult het krijgen. Vraag Google om je gezondheid te verbeteren, en zij zal je duizenden artikelen daarover geven.
  • ‘Godgle’ is potentieel onsterfelijk: zij bestaat in duizenden servers en mochten deze vernietigd worden, dan zal een nieuwe Google sowieso opstaan.
  • Google is oneindig: Het internet kan oneindig doorgroeien, en Google zal het oneindig indexeren.
  • Google herinnert alles, en als je je gedachten en ideeën uploadt op het internet, zul je na je dood voortleven in het hiernamaals van Google.
  • Google is omnibenevolent: in Google’s bedrijfsfilosofie en gedragscode staat opgenomen ‘Don’t be evil’.
  • Er wordt meer naar Google gezocht dan naar Jesus, Buddha, Christendom en Islam

Inderdaad zijn dit overtuigende argumenten! Alhoewel ‘Don’t be evil’ er ondertussen uit is geschrapt, kan dit misschien juist wel worden gezien als een extra argument dat Google daadwerkelijk God is..

Steeds meer mensen spelen met de gedachte dat Google God is

Zoals wel vaker als je denkt een originele gedachte te hebben, blijkt het dat er al meer mensen over geschreven hebben: zelfs op Nederlandse bodem. Theodor Holman schreef in het Parool dat Google, Facebook, Apple en Amazon onze nieuwe goeroes zijn en ons het goede en het slechte leren en vol zitten met zowel wijsheid als onzin.

‘Je kunt een volgeling van ze worden en aan ze verslaafd raken.’

Maar buiten ons koude kikkerlandje zijn er ook steeds meer belangrijke opiniemakers die met het idee van een ‘Godgle’ spelen: Thomas L. Friedman, ook bekend van zijn prachtige boek over globalisering ‘De Lexus en de olijfboom’, schreef ook in de New York Times genaamd ‘Is Google God’ dat nu we over Wi-Fi (Wireless Fidelity) hebben, deze God overal wireless antwoorden kan geven op onze vragen, net zoals God traditioneel deed.

Algoritmes en de macht van Google

Toch gaat de macht van Google veel verder dan die van de goden die door de wereldreligies wordt aanbeden. Wat de zoekmachine je voor antwoorden aanbiedt via haar algoritmes, beïnvloedt direct je meningen en handelingen.

Zo kun je besluiten iets te kopen dat je niet had gekocht als je Google niet had; of een tikkeltje links of rechts opschuiven in het politieke spectrum op basis van wat de zoekresultaten je voorschotelen.

De vraag die ontstaat is: welke rol speelt Google echt in de ‘bubbelvorming’ die wij waarnemen? Is het zo dat Google louter de echokamer faciliteert die onze verslaving bevredigt steeds maar te horen wat we willen horen? Of heeft Google misschien ook (in toenemende mate) een sturende werking in wat wij willen horen? En is Google daarmee niet de ‘puppetmaster’ die de mens oppermachtig bestiert?

Toch wel een beetje zoals wij God ooit eens zagen.

Waarom de-secularisatie in Turkije een crash in slow motion is

Waarom de-secularisatie in Turkije een crash in slow motion is

Matthijs Brugman

Matthijs Brugman

Auteur

Matthijs is fiscalist en studeert Crisis & Security Management aan de Universiteit van Leiden. In zijn vrije tijd houdt hij zich graag bezig met (geo)politiek, economie en geschiedenis.

Op 27 juni 2017 heeft de minister van onderwijs van Turkije aangekondigd om het onderwijsprogramma op enkele essentiële punten te herzien. Vanaf het collegejaar 2019-2020 zal er op middelbare scholen geen les meer worden gegeven over de evolutietheorie, een fundamentele theorie in de moderne biologie. In de media worden al snel vergelijkingen gemaakt met andere landen zoals Saoedi-Arabië. In dit land wordt de evolutietheorie kort aangehaald als een ‘verzinsel van Charles Darwin, die tracht de creatie van de mensheid door Allah te ontkennen’.

In het kader van de hervormingen heeft het ministerie van onderwijs ook besloten om de aanwezigheid en de relevantie van secularisme in het staatsbestel af te zwakken. In dit artikel nemen we deze twee ontwikkelingen onder de loep. Zeker gezien de historie van de Turkse staat zijn deze ontwikkelingen voor het land zelf, maar ook voor andere (semi-) religieuze staten van groot belang.

TURKSE KRITIEK OP DE EVOLUTIETHEORIE

De vergelijkingen met Saoedi-Arabië zijn passend, omdat religieuze argumenten, net als daar, direct of indirect de doorslag hebben gegeven in de behandeling van de evolutietheorie. De kritiek die de Turkse onderwijsminister levert kan worden opgesplitst in drie categorieën:

  • De theorie is te ingewikkeld
  • De theorie is controversieel
  • De theorie is betwistbaar

Is de evolutietheorie ‘te ingewikkeld’ om te doceren?

De ingewikkeldheid van de stof zou in mijn optiek geen bezwaar moeten opleveren voor het doceren van deze fundamentele theorie. Hoewel de minister dit argument als eerste aanvoert en hiermee tracht te rechtvaardigen dat het wel op de universiteit wordt gegeven, is dit mijns inziens niet doorslaggevend. De evolutietheorie kan kort worden samengevat als de verklaring voor de verandering van organismen over lange periodes, lees miljoenen jaren. Met een voorbeeld zal ik schetsen wat de evolutietheorie verklaart:

De evolutie van de schildpad

De schildpad had vroeger geen schild, maar een een stel uitstekende ribbende die hij gebruikte om zich vast te zetten in de grond en om zo de poten makkelijker te kunnen gebruiken voor het graven. Het heeft indertijd dus niet gefungeerd als bescherming, maar als ankerpunt. Het nageslacht heeft dusdanige veranderingen ondergaan in de genetische code, dat de ribben zich verder uitstrekten om bescherming te gaan vormen, wat de voortplantingskansen verder vergrootte. Dit is ook de essentie van de theorie: het betreft willekeurige veranderingen in het DNA tijdens voortplanting die het nageslacht een voordeel of een nadeel opleveren ten opzichte van de soortgenoten.

En ‘te controversieel’?

Het zwaartepunt ligt mijns inziens meer bij de de ‘controverse’, wat door de critici ook wel wordt omschreven als ‘in strijd met islamitische waarden’. In alle abrahamitische religies wordt de schepping toegeschreven aan een enkele god, die de wereld perfect heeft gecreëerd. Er is dan ook geen behoefte aan een verdere ontwikkeling in de vorm van evolutie. Hoewel het begrip van evolutie tegenwoordig ook door de meerderheid van religieuze academici wordt onderschreven, is er binnen de fundamentalistische kringen weinig steun voor. Evolutie impliceert namelijk dat de dieren- en plantenwereld zich continu aan het veranderen is. Dit is in de visie van veel gelovigen onverenigbaar met hun wereldbeeld van een perfecte schepping. Andere gelovigen hebben de evolutie omarmd en schrijven die aan een god toe.  

Het probleem met het ‘controverse’ argument, is dat dit verdere afbreuk aan de seculiere beginselen van Turkije zal doen. Turkije was vroeger het boegbeeld van de seculiere beweging. Hier zag men het perfecte voorbeeld van een land met een sterk religieuze bevolking, waarbij de staat volledige religieus-neutraal optrad. Dit was de opzet van de grondlegger van de huidige Turkse staat; Mustafa Kemal Atatürk. Onder zijn grondwetshervormingen in 1924 werd de religieuze staat (het kalifaat) afgeschaft, kwam er een representatieve democratie en werden de traditioneel religieuze instellingen seculier. Ook vrouwenkiesrecht werd ingevoerd. Het doel van deze hervormingen was het omvormen van de Turkse staat tot een staat die veel overeenkomsten vertoont met de Europese staten, die indertijd werden gezien als intellectueel en wetenschappelijk superieur.
Mustafa Kemal Atatürk
Met de huidige AK-partij aan de macht in Turkije, die overigens een groot deel van de Turkse burgers vertegenwoordigt, lijkt er weer een verandering van visie op te treden met het oog op de seculiere maatschappij. Meerdere malen is er door hoogwaardigheidsbekleders betoogd dat de huidige regels ‘oneerlijk’ zijn voor religieuze instellingen. Waar de AK-partij op uit is, is de verdere ontbinding van seculiere beginselen. Religieuze, lees islamitische, waarden moeten in hun ogen weer het primaat hebben. Deze insteek gaat lijnrecht tegen de gedachten van de Kemalistische hervormingen van 1924 in. Hoewel de seculiere beginselen op het moment nog goed in de Turkse maatschappij zijn verankerd en Atatürk als held bekend staat (overal in het land treft men beelden, posters en kunstwerken van de hervormer aan), is de AK-partij onder leiding van President Erdogan bezig met het weghakken van deze onmisbare beginselen. Saillant detail is dat Erdogan wel bezig is met het prijzen van Atatürk en waar die voor stond. De tegenstrijdigheid is bijna niet te duiden met een voorbeeld, omdat dit zelf een zuiver voorbeeld is van het een zeggen en het ander doen. Omdat het voor de AK-partij lastig is om enerzijds Atatürk’s nalatenschap te prijzen en anderzijds de islam een prominentere rol te laten spelen in de maatschappij, is zij druk bezig met het schrappen van verwijzingen naar seculiere beginselen in de literatuur op school. Een vergelijking met de ontkenning van de Armeense genocide komt niet uit de lucht vallen, deze vorm van negationisme is schadelijk voor het imago van Turkije in binnen- en buitenland en moet worden voorkomen.

‘Betwistbaar’?

In de grotere discussies van onze tijd, zoals klimaatverandering en de schadelijke effecten van roken, zijn door de tegenstanders van de voorgestane beleidswijzigingen altijd de volgende argumenten gebruikt, in chronologische volgorde:

  • ‘er is geen probleem’,
  • ‘er is wel een probleem maar de wetenschap heeft het niet juist gediagnosticeerd’
  • en: ‘er is geen wetenschappelijk consensus over de oorzaak van het probleem’.

Dit gaat vaak gepaard met het in twijfel trekken van wel onderzochte en goed begrepen wetenschappelijk theorieën. Dit is niet anders bij de evolutietheorie die vanaf het begin af aan religieuze kritiek heeft moet verduren. Ook dit argument is lang niet zo relevant voor de beleidswijzigingen van Turkije als het hiervoor genoemde. Daarbij komt ook nog eens dat er helemaal geen noemenswaardige aanmerkingen zijn op de evolutietheorie. De voornaamste kritiek wordt geuit door ‘wetenschappers’ die vaak helemaal geen relevante opleiding hebben gevolgd. De vorm van de kritiek richt zich vaak op het ontbreken van soort-naar-soort evolutie en het niet daadwerkelijk kunnen observeren van evolutie omdat dit over lange termijn zou gebeuren. De antwoorden op deze kritiek zijn te gespecialiseerd om in dit artikel te bespreken, maar ik laat dit de revue passeren, omdat deze kritiek ziet op aspecten van evolutie die helemaal niet ter discussie staan. Het belangrijke van deze argumenten is nu juist, dat de groep die ze propageert, het zelf helemaal niet gelooft. De argumenten zijn alle vele malen weerlegd en toch blijven ze terugkeren. Dit is de essentie van religieuze dogma’s, ondanks feitelijke weerleggingen blijven de gelovigen er toch in geloven.

Wat zijn de implicaties van deze beleidswijziging?

De vergelijking met Saoedi-Arabië is passend aangezien daar op dit moment dezelfde redenen worden aangevoerd om geen evolutietheorie in middelbare scholen. Er heerst in beide landen een (groeiende) vraag naar verregaande islamisering, alhoewel ook tegenbewegingen actief zijn. Om te kunnen zien wat deze islamisering voor gevolgen kan hebben voor Turkije, kan worden gekeken naar de staatsinrichting in Saoedi-Arabië en rol die de ideologische islam kent. In deze landen kan en wordt de Koran (verkeerd) geïnterpreteerd met als doel de vrouw te onderdrukken, godslastering strafbaar te stellen en andersdenkenden het zwijgen op te leggen. Dit zijn ongewenste ontwikkelingen, die nu in de hand worden gewerkt door het prominenter plaatsen van de islam binnen de samenleving. Zeker met het oog op de eventuele toetreding van Turkije tot de Europese Unie zijn deze ontwikkelingen ongewenst. We kunnen dan ook alleen maar hopen dat Brussel zijn rug recht houdt en Ankara hier op aanspreekt.

In gesprek met: Sandra Beckerman (SP) over Religieus Onderwijs

In gesprek met: Sandra Beckerman (SP) over Religieus Onderwijs

Sandra Beckerman is Tweede Kamerlid voor de Socialistische Partij (SP). Beckerman reageerde welwillend op onze enquête over religieus onderwijs. Met een persoonlijk verhaal illustreerde mevrouw Beckerman haar positie ten opzichte van het religieuze onderwijs.

 Sandra Beckerman over religieus onderwijs…

Ik ben opgegroeid in Veenendaal. Een middelgrote plaats op de bible belt. De CU is hier de grootste partij, SGP de tweede. Bovendien zijn er in de jaren ’60 en ’70 veel arbeidsmigranten komen wonen waarvan een deel islamitisch.

We vormen minder een ‘samenleving’ of gemeenschap als we niet samen opgroeien.

In de straat waar ik woonde gingen kinderen naar 5 verschillende basisscholen. Dit vergroot in mijn ervaring verschillen tussen mensen. We vormen minder een ‘samenleving’ of gemeenschap als we niet samen opgroeien.

Zelf zat ik op de openbare school. Mijn ouders waren aanhanger van ‘samen naar het openbaar onderwijs’.

Daar werd ik opgeleid met een positief beeld van het hebben van een samenleving met mensen met verschillende achtergronden.

Tegelijk waren er grote problemen.

Omdat scholen met een denominatie kinderen niet hoeven aan te nemen of omdat ouders niet kiezen voor deze scholen kwamen veel gekleurde kinderen op de openbare school.

De openbare school waar ik heen ging werd steeds meer een zogenaamd zwarte school. Kinderen uit de wijk met bijvoorbeeld taalachterstanden werden steeds meer geconcentreerd.

Uiteindelijk moest de school dicht.

Nu zie je dat het vaak gekleurde kinderen zijn die op de fiets via een soms gevaarlijke route naar een andere wijk moeten voor openbaar onderwijs. Veel witte kinderen kunnen in de wijk naar één van de scholen met een denominatie.

Het openbaar onderwijs werd zwakker door het bijzonder onderwijs.

Daar werd ik voorstander van gemengde wijken waar kinderen samen naar school gaan.

(Deze problematiek speelde veel in deze regio. Zie voor een zaak in de buurgemeente bijvoorbeeld: Scholen in Ede mochten kind weigeren en: School Ede moe van ophef spreiding leeringen)

Toch heb ik de afgelopen jaren ook een ander beeld gezien.

Sinds 16 jaar woon ik in Groningen. Daar worden veel scholen op het platteland met sluiten bedreigd doordat de bevolking krimpt. Doordat de openbare scholen vaak net iets kleiner zijn sluiten zij vaak eerder.

In dorpen waar geen school meer is zie je ook niet zelden een tweedeling ontstaan. Veel hoger opgeleide ouders werken in de stad en nemen hun kinderen mee naar de school daar. Kinderen van lager opgeleide ouders brengen hun kind naar de (bijzondere) school een dorp verder.

Toch heb ik tegelijk ook een minder goed beeld gekregen van het openbaar onderwijs.
Veel koepels van verzelfstandigde scholen worden geleid door ex (gemeente) bestuurders. Die kijken te vaak vooral naar cijfers en verdienmodellen en te weinig naar het belang van onderwijs en de rol en plek van de school in de gemeenschap. Ik zie te vaak weinig bezieling. Liefde voor het onderwijs zelf en hartstocht om te strijden voor goed onderwijs.

Ik heb juist ook hier directeuren van scholen met een denominatie gezien die wel willen vechten voor het voortbestaan van een dorpsschool en die kiezen voor solidariteit door een kleine school wel te behouden en dat mede te betalen met geld dat ze hebben van een iets grotere school in een iets groter dorp.

(Overigens ben ik niet per definitie voorstander van erg kleine scholen. Het gaat mij hier om de manier waarop scholen geleid worden)

Kortom ik ben groot voorstander van openbaar onderwijs. Maar ik ben tevens voorstander van goed onderwijs en een goed debat over wat onderwijs is en welke plek en rol de school kan en moet spelen in de samenleving.

In gesprek met Eppo Bruins: Religieus Onderwijs (ChristenUnie)

In gesprek met Eppo Bruins: Religieus Onderwijs (ChristenUnie)

Eppo Bruins is Kamerlid voor de ChristenUnie en o.a. actief als woordvoerder onderwijs. Als onderdeel van ons onderzoek naar de meningen van de Kamerleden over religieus onderwijs, raakten wij in gesprek met dhr. Bruins.

Hieronder vindt u de reactie van Eppo Bruins op onze vragen over het bijzonder onderwijs, dat wij hier met zijn toestemming publiceren. Dhr. Bruins doet zijn visie op het historische belang van de onderwijsvrijheid uit de doeken.

Onderhand zijn wij verwikkeld in een interessante dialoog over godsdienstvrijheid, de vrijheid van vereniging en de vrijheid van onderwijs. De verdere correspondentie zal wellicht nog later op deze website verschijnen. Hier vindt u alvast de eerste editie van In gesprek met Eppo Bruins over religieus onderwijs.

Eppo Bruis over religieus onderwijs…

 In 1609 arriveerde een groep Engelse protestantse christenen in Nederland. Zij waren op zoek naar een woonplaats waar zij hun manier van leven en geloven vrij konden uitoefenen. In Engeland, waar de staatskerk en koning James I regeerden, was weinig ruimte voor deze mensen en hun sobere, Bijbelvaste leefgemeenschap.

Deze groep Engelse geloofsvluchtelingen kwam terecht in Leiden, waar zij 11 jaar woonden achter de huidige Kloksteeg. Ze waren niet rijk en ze vonden de Nederlandse samenleving veel te losbandig, maar ze hadden wel vrijheid om te geloven, gewetensvrijheid en vrijheid om samen te komen.

Om als hechte gemeenschap bijeen te blijven en hun manier van leven in stand te houden, vertrok in 1620 een deel van deze Engelse gelovigen naar het nieuwe en nog grotendeels onontgonnen Amerika. Zij sloten zich bij een groep landgenoten in Engeland aan en staken de oceaan over in de Mayflower. Deze Pilgrim Fathers staan aan de basis van de Amerikaanse moderne geschiedenis en zij namen de typisch Nederlandse vrijheden mee naar hun nieuwe land: gewetensvrijheid, geloofsvrijheid en vrijheid om in geloofsgemeenschappen te leven op de manier die je zelf kiest.

Dat Nederland een sleutelrol heeft gespeeld in dit beslissende moment in de wereldgeschiedenis, is geen toeval. De Pilgrim Fathers kwamen tijdens de Tachtigjarige Oorlog naar Leiden. De belangrijkste inzet van de Tachtigjarige Oorlog in de Nederlanden was juist geloofsvrijheid. De Nederlandse calvinisten waren hevig vervolgd door de Spaanse overheerser en zij vochten met overtuiging voor hun vrijheid om te geloven wat ze wilden. En met succes. Na de overwinning op de Spanjaarden bleef het tot 1795 zo dat de nationale overheid zich niet bemoeide met religie. Dat werd overgelaten aan de samenleving. Ook de zuidelijke gewesten, die nog onder invloed van de roomse kerk stonden, hadden de vrijheid om religie op hun manier te organiseren. Onder één voorwaarde: niemand mocht om zijn persoonlijk geloof worden lastiggevallen. Niet door de kerk en niet door de staat. In die tijd werd religieuze eenheid nog gezien als voorwaarde voor het voortbestaan van de staat. Het is dus heel bijzonder dat dat in Nederland werd losgelaten: diversiteit zonder dwang was juist hét kenmerk van Nederland vanaf haar ontstaan.

De praktijk was helaas minder mooi dan hierboven beschreven. Al gauw na het vastleggen van de geloofsvrijheid in 1572 werden in de noordelijke provinciën de katholieken door de staat als tweederangburgers bestempeld. De vastgelegde scheiding van kerk en staat was in de praktijk lang niet zo strikt en burgers die van de ‘goede kerk’ waren kregen meer privileges. Zo zie je dat macht toch altijd weer een rol speelt zodra één bevolkingsgroep de dominante denkrichting in een samenleving vormt.

Toen Nederland onder Franse invloed kwam, verdween de godsdienstvrijheid en de scheiding van kerk en staat met rasse schreden.

Na 1795, toen Nederland onder Franse invloed kwam, verdween de godsdienstvrijheid en de scheiding van kerk en staat met rasse schreden. Toen Nederland in 1806 een nieuwe grondwet kreeg en Lodewijk Napoleon het koningschap over Nederland aanvaardde, werd bij wet vastgelegd hoe kerkgenootschappen moesten worden bestuurd, hoe zij zich verhoudden tot de staat en hoe kerkdiensten moesten worden vormgegeven. De kerkelijke leer werd een overheidszaak.

In datzelfde jaar begon de staat wetten te maken over de inrichting van het onderwijs. De Nederlandse onderwijswet van 1806 regelde van 1806 tot 1857 het lager onderwijs. Leraren werden verplicht vanaf 1806 klassikaal les te gaan geven. De oude manier van lesgeven (het zogenaamde hoofdelijk onderwijs), werd verboden. Het onderwijs had de bedoeling zowel de “maatschappelijke als de christelijke deugden” te onderwijzen. Landelijke inspectie hield toezicht of de nieuwe schoolregels werden nageleefd. Ouders werden verplicht schoolgeld te betalen.

Ook kwam toen al gauw de gedachte van staatsonderwijs als middel om het volk te verheffen. De overheid als neutrale macht die weet wat goed is voor de kinderen.

Al die eeuwen daarvoor was de scheiding van kerk en staat in ons land gewaarborgd: de overheid kroop niet in jouw hoofd, bepaalt niet hoe jij moet denken, wat je moet vinden of wat je wilt geloven. Staatsgestuurd onderwijs confronteert mensen ten diepste met de vraag: worden waarden en normen doorgegeven door de gemeenschap, de school, de vereniging, het dorp waar men opgroeit, of mag de staat bepalen wanneer je een goede burger bent? Gelukkig is het in ons land zo geregeld dat de overheid normen stelt aan gedrag: wat jij doet, en vooral wat jij een ander aandoet, wordt beperkt door wetten en regels. Maar wat jij denkt, vindt of gelooft, daar gaat de staat niet over. Staatsgestuurd onderwijs creëerde vanaf 1806 eigenlijk een nieuwe vermenging van kerk en staat. De staat zorgt voor de vorming van verlichte burgers en streeft zo naar de ideale samenleving. Deze liberale (en later ook socialistische) verlichtingsgedachte heeft in Nederland nooit echt voet aan de grond gekregen.

Na van het juk van de Fransen bevrijd te zijn, ontstond het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden. Om de macht van de koning in te perken en een democratie in te voeren, schreef de liberaal Thorbecke een nieuwe grondwet. Vanaf het moment dat in 1848 onderwijsvrijheid ontstond onder deze grondwet, verenigden ouders van allerlei gezindten zich om overal in het land bijzondere scholen te stichten. Vanaf 1848 ontstond, na een halve eeuw, weer de vrijheid om je kinderen op te voeden, te vormen en te onderrichten op de manier zoals je dat als ouders het beste vindt voor je kind. Al werden deze scholen niet bekostigd, er was wel grote behoefte aan deze bijzondere scholen die voortkomen vanuit de samenleving, de gemeenschap, naast de scholen die vanuit de staat werden gesticht. Met de leerplicht die op 1 januari 1901 inging, bleek de behoefte aan ‘een school die bij je past’ nog groter te worden.

Het werd door velen dan ook als een overwinning gevoeld toen vanaf 1917 het bijzonder onderwijs niet langer financieel werd achtergesteld ten opzichte van het openbaar onderwijs. Deze gelijkstelling is vervat in het huidige Artikel 23 van de grondwet.

Met Artikel 23 erkent de overheid dat zij niet voor de burgers bepaalt wat je moet vinden, denken of geloven. Met Artikel 23 erkent de overheid dat alle levensvisies, alle mensvisies, alle wereldbeschouwingen, alle manieren van kijken naar de maatschappij gelijkwaardig zijn en dat de overheid niet bepaalt welke van die visies daar bovenuit steekt of privileges heeft. Artikel 23 is de belichaming van de scheiding van kerk en staat. Artikel 23 is de vastlegging van vier eeuwen strijd voor gewetensvrijheid, geloofsvrijheid en de vrijheid de samenleving van onderop te organiseren.

Het is dan ook onbegrijpelijk dat er een roep is om het bijzonder onderwijs niet meer te financieren of zelfs te verbieden. Bijzonder onderwijs zou ook niet meer ‘van deze tijd’ zijn. Maar wie bepaalt wat ‘van deze tijd’ is? De overheid of de ouders? Het onderwijs zou een afspiegeling van de samenleving moeten zijn — dat is juist wat Artikel 23 mogelijk maakt omdat dankzij Artikel 23 iedereen het recht heeft zich te verenigen en een school te starten.

De roep om de afschaffing van Artikel 23 komt politiek van links én rechts, van liberaal en socialistisch.

De roep om de afschaffing van Artikel 23 komt politiek van links én rechts, van liberaal en socialistisch. Beide stromingen zijn kinderen van die Franse revolutie. Het opmerkelijke is dat Artikel 23, toen ons land nog overwegend christelijk was, juist het voortbestaan van openbare scholen in iedere gemeente heeft beschermd. Ook in regio’s waar maar weinig behoefte was aan openbaar onderwijs, zorgde de gemeente ervoor dat het beschikbaar bleef voor ouders die hun kind daar graag naar toe wilden sturen. Nooit was er een roep vanuit christelijke partijen (of vanuit andere stromingen) om het openbaar onderwijs op te heffen. En ook nu zijn er regio’s waar openbare scholen ternauwernood het hoofd boven water houden. Artikel 23 beschermt de diversiteit aan scholen en de keuzevrijheid van ouders, zowel openbaar als bijzonder. En regelt de gelijke bekostiging.

Dat bijzonder onderwijs niet meer van deze tijd is, is een idée fixe. Het is gelijkheidsdenken, de egalité. Het is de liberale én socialistische droom dat je kinderen tot hun 18e niet moet confronteren met religieuze gedachten zodat ze zonder waanideeën kunnen opgroeien tot gezonde burgers. Het is een aanval van orthodox-religieuze aanhangers van het Verlichtingsgeloof.

Een neutrale overheid bestaat niet en neutraal onderwijs evenmin. Iedere leraar heeft een wereldbeeld, een mensvisie, een levensbeschouwing van waaruit hij denkt en handelt. Alle volwassenen in de nabijheid van kinderen zijn rolmodellen en het is verstandig en eerlijk om er open over te zijn vanuit welk perspectief de leraar zijn lessen geeft. Geloof trek je niet bij de voordeur uit als een jas die je hangt aan de kapstok. Bij 1+1=2 kun je je nog neutraal opstellen. Maar onderwijs gaat over vorming, toerusting en wijsheid, niet over kennis en nog minder over informatie. De achtergrond van de leraar, van het team en van de school kleurt het onderwijs. Ook bij openbare scholen! Bijzonder onderwijs is niet religieus onderwijs. Het is onderwijs waarin men duidelijk is vanuit welke levensvisie onderwijs wordt gegeven.

Boek suggestie van Eppo: De Christen en de Farizeeër

Hoe jodelen tijdens het grasmaaien je duur kan komen te staan

Hoe jodelen tijdens het grasmaaien je duur kan komen te staan

Het is niet mijn bedoeling om oude koeien uit de sloot te halen, maar dit waargebeurde verhaal uit 2010 is zo bizar dat het op de speld had kunnen staan.

Het zal je maar gebeuren: de ochtend kriekt in de Oostenrijkse bergen, Grieg’s Morgenstimmung speelt; een nat zonnetje smelt langzaam het rijp van de grassprieten op je gazonnetje en jij trekt alvast je dirndl (traditionele Oostenrijkse kleding) aan. Kortom, de perfecte dag om het gras te maaien!

Tijdens het grasmaaien in het idyllische Oostenrijkse landschap voelde de 63-jarige Helmut G. zich zo vrolijk, dat hij spontaan begon te jodelen.

Dat had hij niet moeten doen.

Helmut G. had islamitische buren die net op dat moment die Muezzin hadden ingezet. Dat is de karakteristieke islamitische gebedsoproep die vanaf de minaret wordt ingezet. Ze zagen het gejodel van Helmut als een onsmakelijke persiflage op deze heilige zang. De vrolijke jodelaar werd aangeklaagd én veroordeeld voor ‘kleinering van religieuze symbolen’.

De boete van 800 euro heeft Helmut nooit aangevochten. Hij had geen zin om zich door de (dure) juridische wegen een pad te banen. Hij verklaarde: “Het was niet mijn bedoeling om ze na te doen of te beledigen. Ik begon simpelweg met jodelen omdat ik in zo’n goede bui was.”

Schiet Europa niet een beetje door in het offreren van culturele uitingen, uit naam van een verkeerd tolerantiebegrip?

Oorspronkelijke bron: Der Kronen Zeitung

Bardot, Fallaci, Houellebecq en Wilders ~ Paul Cliteur

Bardot, Fallaci, Houellebecq en Wilders ~ Paul Cliteur

Zijn de artikelen 137 c en d van het Wetboek van Strafrecht een vehikel van kafkaëske multiculturalisten die tolerantie door Orwelliaans taalgebruik eroderen?

Misschien wel. In zijn boek Bardot, Fallaci, Houellebecq en Wilders gaat Paul Cliteur in op de strafzaak Wilders II. Wilders werd toen vervolgd wegens zijn “Minder, minder, minder Marokkanen” uitspraak, of liever vraag. Kan dat?

Artikel 137 c en d van het Wetboek van Strafrecht

Het artikel waar het allemaal om te doen is, is artikel 137 van het wetboek van strafrecht. En dan in het bijzonder de leden c en d. Hierin worden 4 zaken strafbaar gesteld, die ten opzichte van 4 groepen niet mogen.

Je mag niet:

  1. Beledigen
  2. Aanzetten tot haat
  3. Aanzetten tot discriminatie
  4. Oproepen tot geweld

Ten aanzien van:

  1. Ras
  2. Godsdienst of levensovertuiging
  3. Hetero- of homoseksuele gerichtheid
  4. Lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap

Wilders werd vervolgd wegens de belediging van een ras. Paul Cliteur wijst de rechter erop dat het moeilijk is om Marokkanen een ras te noemen – het is een nationaliteit.

Ofschoon de juridische beschouwingen van het wetsartikel door Paul Cliteur zeer het lezen waard zijn, is interessanter dan deze technische discussie, deze vraag die Cliteur stelt: Wat is echte tolerantie en hoe verhoudt dit zich tot belediging?

Tolerantie

Paul Cliteur pleit ervoor dat we gaan nadenken over de wenselijkheid van het vervolgen van onwelgevallige meningen. Wat je ook van de toon vindt van Wilders, is het niet zo dat tolerantie precies dát is, dat je accepteert dat er meningen worden geventileerd waar je het niet mee eens bent? Het verbieden van die meningen, dát is intolerantie. Wanneer je meningen gaat verbieden op basis van “intolerantie”, gebruik je de term intolerantie abusievelijk.   

Zo was het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ook van mening in 1976, in de befaamde zaak Handyside v.s. Verenigd Koninkrijk. Het schreef toen (nog) dat “Freedom of expression…is applicable not only to ‘information’ or ‘ideas’ that are favourably received or regarded as inoffensive or as a matter of indifference, but also to those that offend, shock or disturb the State or any sector of the population. Such are the demands of that pluralism, tolerance and broadmindedness without which there is no ‘democratic society’.

Daarmee gaf het Hof uiting aan het Voltairiaans begrip van tolerantie. Voltaire zei: “Ik ben het niet eens met wat je zegt, maar ik ben bereid om mijn leven ervoor te geven dat je het kunt zeggen.”

Het Hof benadrukt dus ook dat pluralisme juist gebaat is bij dissidente meningen. Het garandeert “viewpoint diversity”, dus een verscheidenheid aan opvattingen in de samenleving.

Multiculturalistisch Tolerantiebegrip

Daar tegenover staat het multiculturalistische begrip van tolerantie. Deze vorm van tolerantie gaat ervan uit dat elke groep in de samenleving niet alleen even goed is (cultuurrelativisme), maar ook het recht heeft om niet beledigd te worden of te worden onderworpen aan kritiek dat als beledigend zou kunnen worden opgevat. 

Daarmee worden deze identitaire groepen als het ware immuun verklaard voor enige vorm van kritiek, ongeacht of die hout snijdt. Machteld Zee spreekt in dit verband ook wel van “Heilige identiteiten”. Dat deze identiteiten gekritiseerd kunnen worden, volgt echter uit ons grondwettelijk recht op vrijheid van meningsuiting. Het multiculturalistische tolerantiebegrip, staat daarmee dus op gespannen voet met de vrijheid van meningsuiting.

De Lezer van Bardot, Fallaci, Houellebecq en Wilders wordt één ding duidelijk: de verscheidenheid aan opvattingen (viewpoint diversity) moet worden beschermd, niet de groepsidentiteiten die volgen uit die opvattingen.

Voltairiaans begrip van Tolerantie onder druk

Sindsdien (1976, Handyside .v.s. Verenigd Koninkrijk) wordt er een hete strijd gevoerd tussen het Voltairiaans tolerantiebegrip en het multiculturalistische begrip van tolerantie. En dat gaat helaas niet altijd helemaal goed.

Na Handyside v.s. het Verenigd Koninkrijk zijn er meerdere zaken geweest die gaan over waar de grens van de vrijheid van meningsuiting loopt. Niet altijd wordt dat beslecht in het voordeel van de vrijheid van meningsuiting.

 

1994 Otto Preminger v.s. Oostenrijk

In 1994 in de zaak Otto Preminger v.s. Oostenrijk wordt de frase “offend, shock or disturb” door het Hof herhaald. Echter, er wordt een criterium aan toegevoegd: de uiting moet bijdragen aan het maatschappelijk debat.

 

1997 Wingrove v.s. het Verenigd Koninkrijk

In 1997 beslechte het Hof de zaak Wingrove v.s. het Verenigd Koninkrijk in het nadeel van de vrijheid van expressie. Het Verenigd Koninkrijk had de film Visions of Ecstacy, over de seksuele fantasieën van Thérèsa d’Avila, verboden. Het werd door de Britse staat als obsceen geacht en een aanval op religie. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens achtte het verbod niet als een inbreuk op het Europese Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) en het verbod werd dus gehandhaafd.

 

2006 I.A. v.s. Turkije

In 2006 ligt er de zaak I.A. v.s. Turkije voor het Europese Hof. Het gaat om de veroordeling van een directeur van een uitgeverij, die het vanwege het publiceren van de roman Les phrases interdites van Abdullah Riza Ergüven met de Turkse rechterlijke macht aan de stok had gekregen. Het verbod blijft gehandhaafd. “Een droevige uitspraak”, zo stelt Cliteur, “Het Hof steunt in feite de dictatuur van Erdogan.”

Wel wordt in datzelfde jaar en land het verbod op een andere roman opgeheven, in de zaak Tatlav v.s. Turkije. Het boek bevatte scherpe islamkritiek. Dit verbod werd door het Hof wel in strijd geacht met het EVRM.

Wij zien dus op Europees niveau een ambivalente houding van de rechterlijke macht ten aanzien van de vrijheid van meningsuiting. Soms staat het Hof wél voor deze vrijheid en voor de vrijheid van meningsuiting en expressie.

Toch lijkt de teneur duidelijk: langzaam zijn wij weg aan het bewegen van het Voltairiaans tolerantiebegrip waaraan het Hof in 1976 nog zo duidelijk uitdrukking gaf toen het stelde dat het tolereren van meningen die “Shock, offend or disturb” een noodzakelijke randvoorwaarde is voor het functioneren van een democratische rechtsstaat.

Dat wij wegbewegen van dit tolerantiebegrip, ziet Cliteur – terecht – als kwalijk. het tij zal moeten worden gekeerd. De zaak Wilders II moet dan ook worden beschouwd in deze context.

Empirisme versus idealisme in het islamdebat

Iedereen is het er wel over eens dat het wenselijk zou zijn als er geen connectie tussen religie en gewelddadig handelen zou bestaan. Waar het verschil tussen mensen zit, is dat idealisten denken dat als je echt gelooft dat dit verband niet bestaat, het er ook feitelijk niet is. Het beeld van de struisvogel die zijn kop in het zand steekt doemt op.

Empiristen wijzen er echter op, dat ondanks dat het een mooie wereld zou zijn als dat waar was, de wereld zich niet (noodzakelijkerwijs) voegt naar onze geestesspinsels over hoe die er idealiter uit zou zien.

Paul Cliteur schrijft over een zo’n empirist, Éric Zemmour, dit:

“Hij ziet zichzelf overigens niet als een “provocateur”, zoals zijn critici bij de traditionele middenpartijen hem graag zien, maar als een adequate analyticus en observator die de werkelijkheid geen geweld wil aandoen door de harde realiteit door een rozige waas van politieke correctheid te laten vertekenen.”

Empiristen constateren dat de moord op Theo van Gogh, omwille van zijn film, islamitisch gemotiveerd was. Dat gaf de moordenaar namelijk ook zelf toe in zijn verklaring – hij dacht het te moeten doen om een goed moslim te zijn.

Empiristen kunnen ook constateren dat de fatwa religieus gemotiveerd was, die Ayatollah Khomeini in 1989 uitsprak over de schrijver Salman Rushdie en hem daarmee vogelvrij verklaarde voor de islamitische wereld. Salman Rushdie heeft meer dan tien jaar onder moeten duiken, wordt 24 uur per dag bewaakt en heeft een bomaanslag op zijn leven overleefd. Niet het leven dat de meeste aspirant schrijvers zich graag zouden voorstellen.

Verders stellen empiristen vast dat de Deense Cartoonaffaire (2005) niet had plaatsgevonden als islamisten kritiek op de profeet Mohammed zouden dulden. Dat de aanslag op Charlie Hebdo niet zou hebben plaatsgevonden als islamisten niet zouden geloven dat de vrijheid van expressie niets waard is, wanneer het zich kritisch uitlaat over de islam.

Empiristen constateren dat de aanslag op het World Trade Center, op de Bataclan of in Manchester; de aanslag op de homoclub in Orlando, The London Bridge, Spanje,  – het wordt te veel om op te noemen – allemaal met een interpretatie van het islamitische dogma te maken heeft.

Zouden Empiristen willen dat religie niet tot geweld leidt?

Ja.

Is het ook waar?

Helaas niet – zo blijkt.

Ook Bardot, Fallaci, Houellebecq en Wilders zijn in de betekenis van Paul Cliteur proponenten van deze empirische stroming. Dat is een belangrijk punt.

Theoterrorisme – to call each thing by its right name

Paul Cliteur stelt dat de wereldleiders de grootste moeite vertonen dit terrorisme bij de juiste naam te noemen. Men spreekt wel van terrorisme, maar de Obamas en Merkels van deze wereld kunnen het niet over hun tong krijgen om de aanslagen in bijvoorbeeld Orlando of Berlijn te koppelen aan de islam.

Cliteur zegt daarover: “Onze overheden en terrorismedeskundigen doen op dit moment verwoede pogingen om hedendaagse Syriëgangers of de ideologie die door IS wordt verspreid te begrijpen. Voornamelijk Barack Obama en Hillary Clinton slagen daar slecht in. Dus komen zij met frasen als “extremisten” en “monsters” en dat soort kwalificaties”.

Wat wél een juiste aanduiding zou zijn, is het begrip dat Paul Cliteur daarvoor hanteert: theoterrorisme. Deze benaming erkent de connectie tussen het terroristisch handelen van de terroristen en hun religie.

Bijkomend effect is dat deze politici daarmee het electoraat van zich vervreemden en het daarmee “in de handen” van deze “populisten” of eigenlijk liever “empiristen” drijven.

Dat er een connectie bestaat tussen religie en het terrorisme is namelijk voor veel mensen zo helder als kristal. De terroristen zelf geven ook heel duidelijk aan dat hun aanslagen religieus gemotiveerd zijn. Dat zij martelaren willen worden. Dat zij zich in elk geval op een interpretatie van de koran baseren. Dat zij het opnemen voor de profeet Mohammed, zoals in het geval van de aanslag op Charlie Hebdo. En Allahu Akbar is niet een zelden geuitte term bij het uitvoeren van de handelingen.

En toch (om nu maar een citaat uit mijn persoonlijke collectie te gebruiken) horen we David Cameron zeggen: “They claim to do this in the name of islam. That is nonsense. Islam is a religion of peace.”

“Men laat zich leiden door wenselijkheid en niet door feiten”, verzucht Cliteur; net als de kerk ten tijde van Galileo Galilei.

De vier zuilen van het Theoterrorisme

Ook in het dogma van het monotheïsme vindt de empiricus steun. Paul Cliteur ontwaart 4 ‘zuilen’ van het theoterrorisme.

  1. God’s wil is wet [Genesis 22: 16; Koran 37:109]
  2. De suprematie van religieuze wetten boven die van de staat, met geweld kracht bijgezet [Numeri 25]
  3. Dood de leiders van de verkeerde religieuze sekten [1 Koningen 18:40]
  4. Bereidheid om een offer te brengen [2 Makkabeeën 7]

Opvallend is dat hoofdzakelijk christelijk dogma wordt geciteerd. Dat vermindert echter niet de toepasbaarheid op de islam. Deze zuilen doorlopen alle monotheïstische godsdiensten. Het Jodendom en het Christendom lijken grotendeels ervan geëmancipeerd. Op dit tijdsgewricht is het met name de islam die nog de bereidheid kent om uiting te geven aan deze radicale interpretatie van de godsdienst.  Maar de ingrediënten van het theoterrorisme vind je in elke monotheïstische godsdienst. Daarom dekt het woord “theoterrorisme” ook zo goed de lading.

Symptoombestrijding van het theoterrorisme

Het niet willen erkennen dat er een verband bestaat tussen iemands religieuze overtuiging en diens gewelddadig handelen, werkt het volgende mechanisme in de hand. Eerder dan dat wordt gezocht naar oplossingen die gericht zijn op de religieuze motivatie, worden de tegenreacties aangevallen die dit probleem aan de kaak proberen te stellen.

En die symptoombestrijding gebeurt door strafrechtelijke vervolging. Wilders is al twee maal aangeklaagd; Bardot heeft 5 rechtsgangen moeten doorlopen, Houellebecq is op het matje geroepen en ook Oriana Fallaci heeft zich mogen verantwoorden voor de rechter.

Niet zelden werden zij ook daadwerkelijk veroordeeld.

Zware beschuldigingen gaan gepaard met dergelijke vervolgingen. Zij zouden “racisten” zijn, omdat zij kritische kanttekeningen plaatsen bij immigratie, wat een politiek vraagstuk is. De vraag is natuurlijk of een afwijzende houding tegenover de komst van grote groepen mensen uit het buitenland, per definitie betekent dat je ook vindt dat het ene ras beter is dan het andere. We moeten heel voorzichtig zijn om dat zomaar aan te nemen, vindt Paul Cliteur.

Ook zou godsdienstkritiek “racistisch” zijn, ondanks dat je geloof niet aan je huidskleur is gekoppeld. Die kritiek is daarnaast “beledigend” en komt voort uit een ongegronde vrees (fobie) voor de immigranten (xenofobie) of de religieuze gemeenschap (islamofobie).

De “zieke” geesten die godsdienst kritisch zijn en “ongegronde” vrezen hebben voor de islam, zouden moeten worden genezen.

Hoe beter dan door een strafrechtelijke veroordeling?

Tot veroordeling wordt de rechterlijke macht aangemoedigd door een zelotische schare mensen die zich “beledigd” voelt, doordat een heilig verklaarde identiteit gekritiseerd wordt. Tot de aanklagers begeeft zich ook een lobby van NGO’s zoals de Ligue Islamique Mondiale, een in Saoedi-Arabië gevestigde organisatie die een van de eisende partijen was in het proces-Houellebecq.

Bardot, Fallaci, Houellebecq en Wilders: Vrijheid van meningsuiting in nationale rechtspraak

Parallel aan de uitspraken door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, lopen door deze symptoombestrijding ook nationale zaken die raken aan de vrijheid van meningsuiting en godsdienstkritiek. Zaken, namelijk, die lopen tegen Bardot, Fallaci, Houellebecq en dus ook tegen Wilders.

Laten wij eens kort doorlopen hoe de meningsuiting van Bardot, Fallaci en Houellebecq hen in aanraking heeft gebracht met justitie.

Bardot

Om te beginnen met Brigitte Bardot. Bardot was een gevierd symbool van de Frans cultuur. Het Franse equivalent van Marilyn Monroe. Met vrienden als Jacques Chirac en Sarkozy. Wie aan Franse schoonheid dacht, dacht aan deze actrice en fotomodel: in bikini – geen boerkini – op het strand. Later in haar leven raakte zij zeer betrokken bij de zaak voor dierenrechten.

Paul Cliteur beschrijf het pijnpunt:

“Moslims vieren het feest van Aïd-el-Kébir. Dat is een feest dat herinnert aan de bereidheid van Abraham (in de islam: Ibrahim) om zijn zoon te offeren op bevel van God. Die bereidheid wordt gevierd door een schaap te offeren. Nu gaat het in deze controverse om de vraag hoe dat schaap wordt geofferd: verdoofd dan wel onverdoofd. De verdoofde slacht is diervriendelijker. Maar godsdiensten als islam en ook het jodendom bepleiten een onverdoofde rituele slacht en als uitvloeisel van hun godsdienstvrijheid.”

Bardot maakte met betrekking op dit feest tegenover Sarkozy deze opmerking: “Ik ben het zat onder de duim te worden gehouden door een volksdeel dat erop uit is ons te vernietigen, ons land te vernietigen en ons hun wil op te leggen.” Bardot sprak ook van de “islamisering van Frankrijk.” Die uitspraak is opgepikt en vormt de basis voor haar vervolging.

Brigitte Bardot voelt een morele weerzin tegen het onverdoofde slachten en uit daarover haar misgenoegen. Daarvoor is zij aangeklaagd wegens aanzetten tot discriminatie en aanzetten tot haat. in 1997 werd Bardot veroordeeld vanwege het aanzetten tot rassenhaat, nadat zij in een open brief het begrip “buitenlandse overbevolking‘ had gehanteerd.

In totaal is Bardot 5 keer veroordeeld. Haar aanklager, Anne de Fontette gaf aan een “een beetje moe te worden van het vervolgen van mevrouw Bardot.” Paul Cliteur merkt op dat het niet onvoorstelbaar is dat Bardot zelf ook een beetje moe wordt vervolgd te worden.

Fallaci

De Italiaanse Oriana Fallaci zag de ideologie van het islamisme als een speciaal soort fascisme. Zij zag een geestelijke crisis in Europa. In wat Cliteur de Fallaci trilogie noemt doet zij haar visie op de islam uit de doeken.

Fallaci is zeer uitgesproken. Zij spreekt over een “invasie van Europa” door de islam, dat imperialistisch zou zijn. Fallaci trekt fel ten strijde tegen de Verenigde Naties “die samen met onze onvolprezen Europese Unie de misdaden ‘islomofobie’ en ‘ontering van de islam’ heeft bedacht.”

Ook bekritiseert Fallaci het werk van mensenrechtenrapporteur Doudou Diène die het als zijn taak beschouwde om te zoeken naar gevallen van islamofobie “waardoor moslims in Amerika en Europa na 11 semptember geen leven meer hebben”. In zijn rapporten beschrijft Dène aspecten van deze “islamofobie”, zoals de “intellectual legitimization of increasingly overt hostility towards Islam and its followers by influential figures in the world of arts, literature and the media.”

Paul Cliteur maakt hierbij een scherpe opmerking: “Let op die woorden ‘influential figures in the world of arts, literature and the media’. We hebben hier een overheidsfunctionaris aan het woord, die de wereld wil zuiveren van het verkeerde denken. Dit doet sterk denken aan het Stalinisme en aan de Inquisitie in het christendom.”

Houellebecq

Michel Houellebecq werd, in de woorden van Fallaci, “aangeklaagd omdat hij de koran het stompzinnigste en gevaarlijkste boek had genoemd”. Het interessante aan de casus van Houellebecq is dat hij een romancier is. Zijn boek Platforme raakte in opspraak wegens islamkritiek die zijn karakters uitten. Maar uiteindelijk werd hij voor het gerecht gedaagd vanwege een interview dat hij daarover gaf. De aanklagers waren “verschillende moslimorganisaties en de leiders van de moskeeën van Parijs en van Lyon”.

Zijn Islamkritische roman Platforme was gepubliceerd vóór 9/11, wat hem volgens Paul Cliteur de reputatie gaf van een visionair. Maar bij anderen werd hij “gehaat als ‘islamofoob’, ‘xenofoob’ of ‘racist’”.

In Platforme zegt iemand dat hij een genoegdoening voelt wanneer een Palestijnse terrorist wordt gedood, en dat het lezen van de koran een deprimerende aangelegenheid is (wat overigens inderdaad het geval is) aangezien de islam “de domste religie” is.

Houellebecq werd vrijgesproken, al hing hem een boete van 52,000 euro en een jaar gevangenisstraf boven het hoofd.

De rechter zei: “Uiting gegeven aan zijn haat voor een bepaalde godsdienst (…) kan niet worden aangemerkt als het aanzetten tot haat jegens degenen die deze godsdienst aanhangen”.

Wat Bardot, Fallaci, Houellebecq en Wilders gemeen hebben

Bardot, Fallaci, Houellebecq en Wilders zijn vier hele verschillende personen (zoek de verschillen, zou Geerten Waling zeggen). De overeenkomsten tussen de vier bestaat hieruit:

  1. Zij geven een culturele analyse van het hedendaags religieuze geweld.
  2. Hedendaags islamisme of de islam heeft een negatief effect op de integratie van religieuze en etnische groepen in de westerse samenlevingen.
  3. Deze cultuurstrijd moet worden benoemd.

Wat leren de zaken Bardot, Fallaci, Houellebecq en Wilders ons?

In elk geval dat wij steeds voorzichtiger moeten zijn met wat wij zeggen, als wij niet vervolgd willen worden.

Ook is het het geval dat er zeer los wordt omgesprongen met zware termen als racisme en aanzetten tot (rassen)haat. Zoals in het geval van Bardot. Ze gaf alleen maar aan dat ze het zat was.

Tsja.

Het moment dat we het uiten van een oprecht doorvoeld ongenoegen strafbaar stellen, is de samenleving van Kafka, of Bordewijks Blokken niet ver weg meer.

We komen toch weer terug op dat begrip tolerantie. Je hoeft het niet met iemand eens te zijn om te kunnen inzien dat het belangrijk is dat die diversiteit van opvattingen kan bestaan.

Juist waar opvattingen elkaar vrijelijk kunnen beconcurreren, daar bloeien de beste ideeën op.

Cliteur vindt overigens zelf de “minder, minder, minder” uitspraak van Wilders ook “niet behulpzaam”.

Dat Paul Cliteur in Bardot, Fallaci, Houellebecq en Wilders zo’n sterk pleidooi heeft neergezet in verdediging van de vrijheid van Wilders om zijn (onwelgevallige) mening te uiten, duidt erop dat voorlopig de zaak van het Voltairiaans tolerantiebegrip in Nederland nog niet verloren is.

Laten we op die positieve noot eindigen.

Wat is het atheïsme en wat gelooft een atheïst?

Wat is het atheïsme en wat gelooft een atheïst?

Wat het atheïsme is en wat atheïsten geloven, daarover bestaan veel misvattingen. Binnen de westerse wereld is met name Amerika een goed voorbeeld van een land waar misvattingen over het atheïsme wijd verspreid zijn. Buiten het Westen kun je ook veel incorrecte opvattingen vinden over wat een atheïst is. Soms raken deze denkbeelden aan spookverhalen. In Nederland zijn deze misvattingen in mindere mate aanwezig dan in andere delen van de wereld. Toch kun je ze hier ook tegenkomen. Daarom lees je hier wat het atheïsme is en wat het niet is.

Etymologie van “atheïsme”

Het woord “atheïsme” is eigenlijk een samentrekking van twee woorden. Het woord “a” is een ontkenning of een negatie en betekent dus “niet” of “zonder” X, waarbij X van alles kan zijn. In het geval van atheïsme is deze X het “theïsme”. Dit is het tweede woord waaruit het woord atheïsme bestaat. Dit tweede woord is weer afgeleid van “theos”, wat god betekent.

Een atheïst is dus letterlijk “niet een theïst”

Wat opvalt is hoe weinig het woord atheïst dus eigenlijk zegt. Het zegt niets over wat de persoon die zich atheïst noemt wel gelooft. Het enige dat gezegd wordt is “ik noem mijzelf geen theïst”. Om te kunnen beschrijven wat een atheïst is, zul je dus ook moeten weten wat een theïst is. maar zodra je dit weet, weet je eigenlijk nog steeds niet zoveel. Daarmee beperk je alleen enkele mogelijkheden van wat de persoon die zich atheïst noemt anders wél zou kunnen zijn.

Hieruit volgt dat er een oneindig aantal ideeën bestaat waarin een atheïst kan geloven. Er zijn heel veel verschillende soorten atheïsten. Van hoogbegaafd tot zwakbegaafd, van rijk tot arm, van aardig tot onuitstaanbaar, van altruïstisch tot egoïstisch – je kunt niet weten hoe iemand is, als je alleen maar weet dat hij zich een atheïst, dus “niet een theïst” noemt.

“Alle atheïsten zijn immoreel”

Nu wij weten dat het atheïsme niets zegt over wat iemand gelooft, maar alleen iets zegt over wat hij niet gelooft, zien wij meteen hoe problematisch het is om universalistische uitspraken te doen over deze groep. Met andere woorden: “Alle atheïsten zijn immoreel”, of “alle atheïsten luisteren naar satanistische metal” zijn uitspraken die je wel kunt doen, maar die niet kloppen. Wel kun je zeggen “sommige atheïsten zijn immoreel” en “sommige atheïsten luisteren naar satanistische metal”. Maar tegelijkertijd is waar: “sommige atheïsten leven een ethisch bestaan” en “sommige atheïsten hebben een hekel aan satanistische metal”.

Een ergernis die bij veel atheïsten voorkomt, is dat zij op één hoop worden gegooid met andere atheïsten. Het zijn van een atheïst an sich zegt niets over wat je wél vindt en het is mogelijk dat je niets met een andere atheïst gemeen hebt behalve het feit dat jullie beiden jezelf niet als “een theïst” beschrijven.

Het is zelfs mogelijk dat je als theïst meer gemeen hebt met een atheïst dan met andere theïsten. Zo kunnen jullie bijvoorbeeld beiden viool spelen en de Mount Everest hebben beklommen, terwijl niemand in je kerk dat kan zeggen. Ook kan het waardevol zijn om een atheïst te vragen naar wat hij of zij wel gelooft. Wellicht kom je erachter dat wat jij als theïst gelooft, best wel dichtbij concepten van de atheïst staat als oneindigheid en moreel handelen.

Epistemologische varianten van atheïsme

Epistemologie, of de kennisleer, is een ontzettend interessante tak van sport. Het stelt vragen als

  • Wat is kennis?
  • Kunnen wij zekere kennis verwerven?
  • Hoe komen wij tot kennis?

De strikte betekenis van het atheïsme is bescheiden in zijn ambitie. Het beschrijft de toestand van een individu dat niet gelooft in het concept van god zoals dat door theïsten wordt gegeven. Het maakt geen harde epistemologische claims. Enkel geeft dit atheïsme aan niet overtuigd te zijn door de bewijzen die voor het bestaan van god worden gegeven door theïsten.

Sterk atheïsme (“positief” en “negatief” atheïsme)

Een andere variant van het atheïsme, zou je het “sterke atheïsme” kunnen noemen. Het sterke atheïsme beschrijft de overtuiging zeker te weten dat god niet bestaat. Om een sterke atheïst te zijn, zul je dus een idee moeten hebben van wat kennis is; moeten geloven dat wij zekere kennis kunnen verwerven en overtuigd moeten zijn dat je weet hoe je tot kennis komt.

Er zijn enige problemen met deze stellingname. Hoe bewijs je namelijk non existentie? Wel is waar dat:

Absence of evidence is evidence of absence.

Maar is een bewijsmiddel (evidence) ook een sluitend, onomstootbaar bewijs (proof)? Mij is het in elk geval nog niet gelukt om de non existentie van enig object te bewijzen. Dat is naar mijn mening ook direct de reden dat de discussie over het bestaan van god een gebed zonder eind is. Tegelijkertijd kan men wel iets zeggen over de waarschijnlijkheid van het bestaan van god; namelijk dat die afneemt naarmate de tijd toeneemt zonder een bewijs te leveren.

Logische inconsistentie kan wel worden gezien als een bewijs voor het niet bestaan van datgeen dat logisch inconsistent is. Het enige dat je hiervoor moet aannemen, is dat zowel “A” als “niet A”, een uitsluitingsgrond is voor bestaan. Als god wordt beschreven in zulke termen, en deze termen kunnen worden aangetoond niet samen te kunnen, dan kan god niet bestaan op de manier zoals is voorgesteld. Deze denkwijze is die van het negatieve sterke atheïsme.

Epicurus

Een bekend, ja beroemd voorbeeld van deze argumentatievorm is het argument van Epicurus. Het stelt het probleem van het lijden aan de kaak, in de vorm van een reductio ad absurdum. Er wordt namelijk verondersteld dat:

  1. God is omnipotent (hij kan alles)
  2. God is omnibenevolent (hij heeft het beste met alles en iedereen voor)
  3. Als we om ons heen kijken, zien wij lijden – er bestaat kwaad
  4. Dan is God ofwel niet in staat om het kwaad op te heffen, of hij kan het maar doet het niet.
  5. Als hij het niet kan opheffen is hij niet omnipotent
  6. Als hij het niet wil opheffen is hij niet omnibenevolent
  7. Als hij wil noch kan, waarom zou je hem dan nog God noemen?
  8. Waar komt kwaad vandaan, als hij het kwaad zowel kan als wil opheffen?

Het antwoord op het probleem van het lijden van Epicurus komt in verschillende vormen. Je ziet theologen verschillende gedachtenkronkels maken om bijvoorbeeld te beargumenteren dat het lijden kwaad lijkt, maar uiteindelijk goed is. Zo zou “goed” niets betekenen zonder vrije wil en de vrije wil behelst de mogelijkheid van lijden en het kwaad.

Een andere vorm om met ogenschijnlijke contradicties om te gaan, is een mystieke opvatting van God. Uitingen hiervan zijn frasen als Deus est visibilium et invisibilium – God is zowel zichtbaar als onzichtbaar. Dit is regelrecht in strijd met de aanname dat het onmogelijk is dat zowel “A” als “niet A” het geval is.

Dat is gelijk waar het debat over het bestaan van God doodslaat – rationalisme wordt dan ontkend, wat ons enige vehikel is om ook maar iets te kunnen weten. Men zou kunnen vragen wat het idee van God dan nog betekent, wanneer er geen enkele mogelijke propositie over valt te formuleren. hebben we het dan over etwas Unbestimmtes?

So why call him God? zou Epicurus zeggen.

Een beginpunt voor het secularisme

Als het dan een gevoel beschrijft van verwondering over het bestaan, de indrukwekkende, mooie en soms beangstigende uitgestrektheid van het heelal, of een overweldigend gevoel van naastenliefde; dan wordt er uitdrukking gegeven aan een cognitieve toestand die óók door atheïsten wordt of kan worden ervaren.

Het zou deze gemoedstoestand – deze vervulling met ontzag voor de realiteit waarin wij ons met zijn allen begeven -, kunnen zijn die de gemene deler vormt die de mensheid verbindt. De aanname dat er minstens één zo’n gedeelde waarde valt te ontwaren in de pluriformiteit van individuen en groepen, is het beginpunt van het argument voor secularisme.

Om tot een einde te komen. Toen Koningin Máxima zei “Dé Nederlander bestaat niet”, had zij het over atheïsten kunnen hebben. “Dé Atheïst” bestaat niet – het is een diverse groep, dat doorgaans wat sceptisch in het leven staat, maar daar is ook alles mee gezegd.

Het zou op mondiaal niveau een positieve ontwikkeling zijn om te zien dat bepaalde vooroordelen jegens atheïsten die uiterst laatdunkend zijn en soms desastreus in zijn gevolg, worden ontmanteld. In plaats daarvan zouden de religieuze groeperingen – en ik kijk met een lodderoog op dit tijdsgewricht met name de islam indringend aan -, zich kunnen richten op een herbezinning op wat eens de raison d’être van religie was: verwondering over alle aspecten van het bestaan en de behoefte om op enigerlei wijze uitdrukking te geven aan dat waar woorden soms tekort aan schieten. Het besef dat dit sentiment universeel is en bestaat in Rome en in Jeruzalem, maar ook in Mekka, Lhasa én Athene; is de noodzakelijke randvoorwaarde om vreedzaam met elkaar samen te leven op een globe die met de dag kleiner wordt.

Machteld Zee uitgeroepen tot atheïst van het jaar 2017

Machteld Zee uitgeroepen tot atheïst van het jaar 2017

11-06-2017, Houten. Machteld Zee, auteur van het boek Heilige Identiteiten, op weg naar een Shariastaat? is vandaag uitgeroepen tot atheïst van het jaar op een symposium van het Atheïstisch Verbond. Reden tot de uitroeping is haar onderzoek naar de shariaraden in Groot Brittanië, dat internationaal veel aandacht trok. Zee volgt Paul Cliteur op als titeldrager, die verbonden is aan de Universiteit van Leiden als hoogleraar encyclopedie van het recht.

Uitreiking prijs

Uit het onderzoek van Machteld Zee blijkt onder andere dat de rechten van vrouwen in de Londonse shariaraden onder druk staan. Zo is het in sommige gevallen praktisch onmogelijk om te scheiden van een man zonder zijn toestemming. Ook is het nog maar de vraag of een parallel rechtssysteem wenselijk is. Machteld Zee waarschuwt voor deze shariaraden. Zo ook voor de door Saudi-Arabië gesponsorde verspreiding van het wahabisme. In haar toespraak benadrukte zij het belang om ook buiten de atheïstische gemeenschap bondgenoten te zoeken bij het uitdragen van seculiere waarden.

De prijs werd uitgereikt door Peter Waterdrinker, voorzitter van het Atheïstisch Verbond.

Sprekers

De bijeenkomst, ter gelegenheid van “Atheïsmedag”, kon bogen op een groot aantal gevierde sprekers uit atheïstische / humanistische hoek. Voorgezeten door dagvoorzitter Dirk Metselaar, trapte Paul Cliteur de bal af. Daarop volgden Tom Herrenberg, Boris van der Ham, Floris van den Berg, Tineke Kooiman, Frank Ong-Alok. Ook mocht een representant van de kerk van het Vliegende Spaghettimonster niet ontbreken.

Heilige Identiteiten, op weg naar een shariastaat? recensie Machteld Zee

Heilige Identiteiten, op weg naar een shariastaat? recensie Machteld Zee

‘Heilige identiteiten op weg naar een shariastaat?’ van Machteld Zee Is een krachtig pleidooi tegen de (verdere) invoering van de sharia in Europa. Het is vooral ook een waarschuwing dat we niet moeten denken dat het allemaal vanzelf wel goed zal komen. Machteld Zee schrijft dat het belangrijk is dat we ons verdiepen in wat de sharia precies is en hoe het al concreet wordt uitgevoerd in Europese shariarechtbanken. ‘Heilige identiteiten op weg naar een shariastaat?’ is een goed beginpunt voor eenieder die geïnteresseerd is in de opkomst van deze in mist gehulde parallelle rechtsorde.

Zee heeft een uniek inkijkje gekregen in het functioneren van de shariarechtbanken, die in Engeland al volop actief zijn. Helaas is het niet makkelijk om zo’n rechtszitting bij te wonen. Daarom heeft Zee een tamelijk beperkt aantal casussen om met grote zekerheid conclusies te trekken over hoe kwalijk deze rechtbanken in de praktijk nou eigenlijk zijn. Toch is daar niet alles mee gezegd. Men zou de vraag kunnen stellen waarom het toch zo moeilijk is om deze rechtszittingen bij te wonen. Hebben ze iets te verbergen? Misschien. Uit haar ervaringen in de Londonse shariaraad (Islamic Sharia Counsil, ISC) komen enige zaken naar voren waar wij als westerlingen van opkijken.

Vrouwenrechten in Sharia

Machteld Zee laat zien hoe lastig het is voor vrouwen om onder een islamitisch huwelijk uit te komen, terwijl geweld tegen vrouwen binnen het huwelijk kennelijk schering en inslag is. De indruk die we krijgen van de Birminghamse shariaraad is daarentegen liberaler te noemen. In elk geval kan men zich de vraag stellen of het wenselijk is om de taak van de rechterlijke macht te delegeren; of dat het wenselijk is dat een Nederlands rechter een vrouw doorverwijst naar de ISC om haar recht te halen (zoals in 2016 gebeurde). Het boek is de moeite alleen al waard omwille van haar unieke verslag van de Engelse shariaraden.



Wahabisme

Ook weet Machteld Zee een goed beeld te schetsen van de inspanningen van Saoedi-Arabië om het wahabisme in het Westen en elders in de wereld te verspreiden. Het Wahabisme is een zeer fundamentalistische en conservatieve stroming binnen de islam. Door onder andere predikers te sturen en instellingen en moskeeën uit de grond te stampen, probeert het land ook ver buiten haar eigen grenzen de sharia te bevorderen, vrijheid van godsdienst en meningsuiting te beperken en haar eigen rol als leider van de islamitische wereld te versterken. Dat is een terechte analyse en de aandacht die Machteld Zee voor dit onderwerp vraagt is dan ook niet misplaatst.

Kritiek

Sommigen plaatsen wel enkele kanttekeningen bij dit boek. Haar beschrijving van de islam mist volgens hen enige noodzakelijke nuance. Bijvoorbeeld wanneer taqiyya wordt behandeld. Het begrip betekent min of meer dat een moslim over zijn geloof kan liegen om de vijand te misleiden.

Het is een onrustgevend idee, dat zou kunnen leiden tot een categorisch wantrouwen ten opzichte van alle moslims. Er zullen zeker mensen zijn die op schimmige wijze de taqiyya gebruiken om een samenleving te creëren die haaks staat op de westerse waarden, maar hen gaat het een tikkeltje ver om dit als de stuwende kracht achter islamisering te zien. Marcel Hulspas, die zelf ook het wahabisme kritiseert, had deze nuance bijvoorbeeld graag duidelijker gezien, zoals hij uiteenzet in zijn recensie getiteld ‘complotdenken met Machteld Zee‘.

Om te beoordelen hoe genuanceerd deze harde kwalificatie zelf is, zult u het boek moeten lezen. In elk geval is het van grote waarde dat Machteld Zee deze zaken in heldere bewoording (en met humor) weet te benoemen. De reacties die het opwekt, geeft alleen maar aan dat de discussie hierover nog lang niet gevoerd is. De islam is een complexe religie met meerdere aspecten en Zee heeft één aspect daarvan heel goed weten te belichten. ‘Heilige identiteiten op weg naar een shariastaat?’ legt de vinger op een zere wond die niet velen durven aanraken.

10 merkwaardige manieren waarop de kerk als staat optreedt tijdens de Republiek

10 merkwaardige manieren waarop de kerk als staat optreedt tijdens de Republiek

De kerk op wereldlijk terrein onder de republiek , door Mr. S.J. Fockema Andreae (1952)

De scheiding tussen kerk en staat in Nederland is niet iets dat abrupt tot stand is gekomen. Daarentegen is het een geleidelijk proces geweest, dat met horten en stoten langzaam de huidige (onvoltooide) situatie heeft voortgebracht. Daar getuigt ook de publicatie van Mr. S.J. Fockema Andrae van, genaamd ‘De kerk op wereldlijk terrein onder de Republiek’, dat in 1952 werd gepubliceerd.

De publicatie van Andreae is bedoeld als oriëntatie op de toestand van de scheiding tussen kerk en staat ten tijden van de Republiek. In zijn verhandeling besteedt hij aandacht aan de verschillende wereldlijke domeinen waarin de kerk zich toen begaf. Kerk en staat, “incommensurabele entiteiten”, zo schrijft Andreae, ontmoetten elkaar op gebieden als het volksleven, de sociale zorg en het onderwijs; maar ook op gebieden die nu ( en toen) als wereldlijk worden beschouwd. Daarbij kan men denken aan persoonsregistratie, het opstellen van authentieke akten; administratie, censuur, strafzaken en het bijstaan van de regering.

Tal van deze domeinen zijn geleidelijk door de overheid overgenomen. De kerk bemoeide zich soms gevraagd, soms ongevraagd met de besognes van de staat. Soms traden predikanten op als volksvertegenwoordigers; soms lichtten zij de regering in over sentimenten onder de bevolking; of juist over misdaden die de burgers hadden gepleegd. Soms verleenden zij diensten tot het algemeen nut, zoals het bijhouden van sterfgevallen; soms waren deze diensten dubieus, zoals wanneer men zich tot de kerk moest wenden om een verklaring van goed gedrag te krijgen.

Er is niet eenduidig te zeggen dat de inmenging van de kerk in staatszaken in de tijd van de Republiek altijd en per definitie kwalijk was. Waar er geen overheid was, vulde de kerk het gat. Zo is het beter dát er armenzorg is, dan geen. Wel kan men zeggen dat de dubbele rol van de kerk onwenselijk was. Bijvoorbeeld bij strafzaken, waarbij de geestelijke zowel vertrouwenspersoon als rechercheur was; zowel ‘advocaat’ als aanklager. Die dubbele rol hoeft de kerk tegenwoordig niet meer te vervullen, door de opkomst van de seculiere staat met scheiding der machten – en dat ís per definitie goed.

Hier volgt een overzicht van de zaken die Andreae opmerkte over de toestand van de scheiding tussen kerk en staat in de Republiek.

1. Persooonsregistratie

Al voor de Hervorming heerste de opvatting dat zaken als het huwelijk en de doop geregistreerd dienden te worden. Het Concilie van Trente (1545-1563) had dit nog nadrukkelijk bevestigd.

Dit zag men als een zaak van het algemeen belang, omdat het voor verschillende doeleinden werd gebruikt en voor een geringe vergoeding werd afgegeven. Het gebeurde onder de verantwoordelijkheid van de predikant.

“Tegen het einde van de Republiek, wordt hier en daar voorgeschreven dat de registers in dubbel moeten worden gehouden en dat de duplicaten met enig regelmaat aan de burgerlijke overheid moet worden afgegeven. Wereldlijk voorschrift, door de kerk aanvaard.”

De overheid verplichtte de kosters ook om van elke begrafenis aangifte te doen, wat met name belangrijk was voor de inning van de erfbelasting.

“Zo diende de kerk het algemeen belang, des-onbewust.”



2. Authentieke akten

Geestelijken vervulden ten tijden van de Republiek ook de rol van een soort notaris:

“Onder de oude bedeling was het een recht, maar ook een plicht der geestelijken, de leken ten dienste te staan in het opmaken en bezegelen van allerlei Authentieke akten.” Alleen als het de overdracht van onroerend goed betrof was de inmenging van het lokale gerecht vereist.

Gedurende de Hervorming nam het aantal griffiers, secretarissen en notarissen echter dermate toe dat de handhaving van deze functie der geestelijken weinig reden had.

De Omwenteling van 1795, toen de Bataafse Republiek met hulp van de Fransen werd uitgeroepen, zou een einde maken aan de laatste rechten van de geestelijken om contracten en testamenten op te stellen (recht van zegelen), dat toen nog in sommige afgelegen streken bestond.

3. Administratieve tussenkomst

De striktheid van de scheiding tussen kerk en staat varieerde ook van gewest tot gewest. In de meeste provincies werd slechts bij uitzondering een beroep gedaan op de medewerking van kerkelijke organen voor bestuursdoeleinden. De Staten richtten zich daarentegen meestal tot “Schoute en Geregte”. De schout was toen belast met opsporing, het voorzitten van het gerecht en hij was ook wat met nu de openbaar aanklager zou noemen.

In de noordoostelijke gewesten was het seculier bestuur echter dunner verspreid en daar werd de kerk wél belast met dergelijke wereldlijke taken. “Men deed bijvoorbeeld voor belastingaangiften een beroep op de parochiebesturen – zelden op de predikant en nooit op de kerkraden. Theoretisch onderscheidde men namelijk “wereldlijk” en “kerkelijk” parochiebestuur.”

Voor bewijzen van goed gedrag richtte de overheid zich tot kerkelijke organen en personen. “Maar toch, zo schijnt het, hier in mindere mate dan in andere landen met totalitaire kerken.”

Deze taken werden ook in toenemende mate door de overheid verricht “en zo schijnt niet zelden op betere wijze. Het is veelzeggend als men soms classicale vergaderingen besluiten ziet nemen tegen het lichtvaardig afgeven van verklaringen door predikanten bijvoorbeeld aan zwervers.”

In het algemeen is het minder gewoon dan soms elders, dat kerkgebouwen voor wereldlijk-openbare doeleinden worden gebruikt. Behalve in Friesland en Drenthe, waar talrijke stemmingen in de kerken plaatsvinden. Af en toe ook in de Groningse ommelanden. Maar in het algemeen ziet de kerk zulk wereldlijk gebruik niet graag; synoden ijveren ertegen.

Het is tekenend voor de tijden van de Republiek, toen er veel minder mensen in Nederland woonden en de kerk een veel prominentere rol speelde in het leven van alledag; dat men zoiets als een verklaring van goed gedrag zou moeten krijgen van de dorpspriester. Wat “goed gedrag” precies behelst, loopt zo het risico een kerkelijke invulling te krijgen. Het geeft aan dat het toch nog lastig was om je te onttrekken aan de kerk; en hoe de kerk tot diep in de vezels van de maatschappij was doorgedrongen.

4. Onderwijs

Onderwijs kon in de Republiek nog moeilijk los worden gezien van religie. Zonder een geloofsverklaring te geven, kon je eigenlijk geen onderwijzer worden. Toch voltrekt zich langzaamaan een proces, met name in de grote steden, waarbij onderwijs buiten de kerkelijke kringen en invloedssfeer wordt gegeven.

“In de kerkorden wordt toezicht, althans op de Christelijke aard van het onderwijs, als een taak der Kerk gevindiceerd en voorgeschreven tegelijk. De Dortse kerkorde betrekt in dezen reeds vast bepaalde stelling, door met name de ondertekening ener geloofsverklaring te eisen van alle onderwijzers en van de hoogleraren der theologische faculteiten – voor de overigen kan men het alleen aanbevelen.”

“Het officiële onderwijs is Calvinistisch, al slaagt de kerk niet in volledige controle. Aan de hogescholen worden al te duidelijke afwijkingen van de kerkleer niet geduld, zoals Bayle en Van der Marck, om slechts deze te noemen, hebben ondervonden.”

Ook zaten de geestelijken in het bestuur van de scholen:

“Van de curatoren-colleges der latijnse scholen was steeds een predikant lid; zo ook van de commissies voor de armenscholen e.d.. In de dorpen, waar de koster tevens als onderwijzer dienst deed, was de band tussen de predikant en hem uiteraard al heel nauw.”

De kerk kon moeilijker haar invloed uitoefenen over wat als niet-officiëel onderwijs aangemerkt stond. Onderwijsvrijheid, waar de christelijke partijen zich thans op beroepen om het bijzonder onderwijs in stand te houden, is eerder ontstaan ondanks, dan dankzij de gereformeerde kerk:

“Tevergeefs toornden kerkraden en synoden tegen bijscholen en winkelscholen – in de plakkaten verboden, maar feitelijk toegelaten. Vooral in de steden bereikte het officiële onderwijs slechts een gering deel der jeugd; de in toenemende mate erkende organisatievrijheid ook der andere kerken moest noodwendigerwijs enige onderwijsvrijheid met zich meebrengen. Ook het verzet tegen het bezoeken van scholen buitenslands bleef vrijwel vruchteloos.”

5. Censuur

Met name op het gebied van godsdienst zelf, wist de kerk een rol als censor te vervullen. Veel hogescholen en theologische faculteiten kregen hiermee te maken. Voor overige publicaties was haar censurerende rol beperkter, behalve binnen de ambtenarij.

“Van een algemene preventieve censuur wil onze Republiek niets weten; wèl van een repressieve – bij vlagen.”

Kerkraden en synoden richtten zich proactief tot de Statencolleges met verzoeken om boeken te verbieden. Ook waarschuwde men vanaf de preekstoel voor dit of dat boek. “Niet altijd ten genoege van de wereldlijke arm” zo schrijft Andreae hierover: “zoals die Friese predikant ondervond, die zich op het Landschapshuis moest laten zeggen:

“heb jij het boekje van Descartes wel eens degelijk gelezen? Jouw lui zijn een troep weetnieten, bloeden, die ’t boekje niet eens verstaan.”

Ter nuance merkt Andreae wel op, dat sommige predikanten wel degelijk ook bevorderaars van de Verlichting waren.

6. Sociale zorg

De kerk organiseerde haar eigen zorg voor haar eigen gelovigen. De “niet-totaliteit der kerk” – zoals Andreae het niet bestaan van een staatskerk duidt – kon dus ook niet de gehele samenleving van deze armenzorg voorzien.

De kerk bezette een plaats in het bestuur van de weeshuizen en de tehuizen, die in de steden een Gereformeerd karakter droegen. Over deze kerkelijke bestuurders werd wel altijd gezegd “de predikant blijft altijd de jongste” en hij stond hiërarchisch dan ook onder de regenten. Die jongste kon echter wel de meest invloedrijke zijn, daar de predikant vaak ook de secretaris van het bestuur was.

7. Strafzaken

Wat betreft strafzaken, noemt Andreae een aantal zaken die toch opmerkelijk zijn. Het beeld ontstaat dat geestelijken veel taken op zich namen die in onze moderne samenleving met goede redenen onderscheiden zijn. Een geestelijke kon zowel de rol van psycholoog en advocaat, als OM aannemen. De kerk constateerde strafbare feiten en gaf die aan, hoorde de verdachte uit, spoorde de overheid aan tot vervolging en pleitte ook voor strafvermindering.

“Dat de kerk bij haar zielzorg het oog hield op delicten en deliquenten, spreekt vanzelf. De Overheid verwachtte ook, dat de Kerk hierin nauw met de wereldlijke arm samenwerkte.

Het werd als de plicht van de zielzorger aangemerkt, een deliquent aan te geven, of hem tot inkeer en bekentenis te bewegen. In niet weinige geruchtmakende strafzaken werd aan de dominee uitdrukkelijk verzocht, op het gemoed van de verdachte te werken.”

Ook homofielen konden maar beter niet alles opbiechten:

“De overheid werd vermaand door de predikant te vervolgen in het geval van sodomie.”

De predikanten spoorden in andere gevallen ook juist aan tot matiging:

“De belangrijkste actiepost der Kerk op deze rekening is haar invloed op de humaniséring der straf – tot het niet toepassen van de doodstraf en eenvoudige diefstal e.d., en het oprichten van tucht- en werkhuizen.”

Gegeven deze dubbele rol die de kerk vervulde, noopt het echter niet tot al te grote verbazing dat er nog genoeg werk te verzetten was voor de humanistische beweging:

“De humanistische magistraten waren het, niet de Kerk, die circa 1600 de berechtingen van toverij deden eindigen.”

De vervolging van de schilder Torrentius was ondenkbaar zonder de medewerking van de kerk – in gevallen van godslastering werd haar expertise ingevlogen.

8. Bijstand der regering

Transparantie van de overheid is ook in onze tijd nog een onderwerp van aanhoudende zorg. Zo is het ook lastig om in de tijd van de Republiek precies aan te wijzen hoeveel invloed de kerk op de het dagelijks bestuur van het land had. Dát die aanwezig was, staat echter buiten kijf:

“Niet zelden zal het advies mondeling gevraagd en gegeven zijn. Invloed van een man als Ds Hofstede op onderscheiden beslissingen van Willem IV of van Willem V is waarschijnlijk; de Arnhemse Ds Fontanus moet de stappen van stadhouder Jan van Nassau wel vaak hebben bestierd, gelijk Willem Lodewijk de impulsen van een Borgerman, van een Menso Alting onderging.”

Ook in tal van ceremoniën was de aanwezigheid van de kerk schering en inslag; “Geen landdag zonder landdagspreek!” schrijf Andreae hierover.

Interessant genoeg is er ook een taak van volksvertegenwoordiging voor de geestelijken weggelegd. Het wist signalen onder de bevolking te signaleren en deze door te spelen aan de regenten. Zo had de kerk ook de taak om als bruggenbouwer op te treden en de afstand tussen het volk en de regering te dichten.

Het volgende kan ik niet kernachtiger voor u samenvatten; daarom presenteer ik het u in de woorden van Andreae zelf:

“In het algemeen moesten vooraanstaande kerkelijken de geestelijke bijstand van regenten en magistraten als een voornaam deel van hun ambt aanmerken. […] Men hoort de Haagse kerkraden weleens klagen over de druk dezer taak. De omvang is moeilijk vast te stellen, maar we hebben de indruk, dat een voornaam deel van de taken der predikanten te dezen hierin bestond, de regenten met stromingen onder de gemeente bekend te maken en hierdoor de kloven in het publieke leven te helpen overbruggen. […]

Dit was dus betreft de gewenste bemoeiing. Doch ook ongevraagd verhief de kerk haar stem, achtte zich geroepen Gods wil bekend te maken, zoals ze deze meende te verstaan; ook in de regeringszaken juist bij belangrijke gebeurtenissen; en wel allermeest, waar de overheid niet naar kerkelijk oordeel juist scheen te handelen. Oude pretentie, reeds vanaf de oud-Christelijke tijden af, door mannen als Calvijn en John Knox met ijver voorgestaan. Het conflict is van alle tijden; maar het is niet steeds even levendig geweest en het heeft zich ten anzent, na de grote crisis der bestand-jaren, te sluimeren gelegd. […]

Het kon er ook op aankomen, het volksgeweten tegenover de Overheid te doen gelden; zo niet desgevraagd, dan ongevraagd. Het leiden èn het representeren der openbare mening in donkere tijden mocht een der belangrijkste roepingen der geestelijke leiders heten. Uit meerdere gevallen één voorbeeld: de monarchale neigingen ten tijde van prins Willem III werden terzijde gezet, toen de “beroering der gemeente” door predikanten aan de overheidspersonen werd overgebracht.”

9. Volksleven

De kerk had echter ook aandacht voor haar stichtende rol inzake de zeden en zij trad graag op wanneer zich zedelijke of godsdienstige oneffenheden voordeden. Zo trad zij op tegen de Sabbatschending, tegen luidruchtige feestvieringen, tegen kermissen, danspartijen en dergelijke; tegen drankmisbruik, toneelvertoningen, kansspelen en ontucht; tegen volksgewoonten die als bijgelovig aangemerkt konden worden; en tegen alle openbare uitingen van Rooms-katholiek of dissenters kerkelijk leven, met name tegen niet-gereformeerde openbare functionarissen.

Ook stelde de gewestelijke synoden de Staten ieder jaar op de hoogten van de stand der zedelijkheid van haar bevolking. Ieder jaar zond zij een stuk, waarin ieder jaar praktisch dezelfde klachten stonden over de losbandigheid van de bevolking, naar de regenten in Den Haag, die “dit stuk dan, meer of min beleefdelijk, voor kennisgeving aannamen, maar zich ook wel eens geprikkeld gevoelden tot vernieuwing of wijziging der desbetreffende plakkaten.” Wanneer de wetgeving was aangepast, konden de burgers, na enig tijd, vaak wel weer in ruil voor geld “recht op overtreding” krijgen, “mits zekere grenzen en vormen in acht nemende.”

In de Rooms Katholieke kerk werden er soms kerkvisitaties gehouden waarbij dan vragen werden gesteld. De antwoorden werden vervolgens doorgespeeld aan de overheid. “Kerkelijke organen als opsporingsambtenaren!” schrijft Andreae hierover. Mettertijd namen deze praktijken echter wel af.

10. Voorbidding

Bij lokale of nationale gebeurtenissen heerste er het gebruik om bid- en dankdagen uit te schrijven. Die werden dan op volledige kosten van de overheid gepubliceerd.

Conclusie

We kunnen zien dat in de tijd van de Republiek de kerk zich veel verder waagde in wereldlijke taken dan nu het geval is. Kerkelijken zetelde in bestuursfuncties of boden hulpverlenende taken aan.

“Het blijft alles echter een incidenteel karakter behouden. De onvolkomen aansluiting geeft het verschil in geaardheid van het geestelijke/kerkelijke en het wereldlijk/bestuurlijke leven goed weer. Onze Kerk was geen staatskerk; onze staat geen ecclesiocratie. Over het algemeen bleven de sferen gescheiden.”

Vooruitblikkend op de Bataafse Republiek, waarbij de scheiding tussen kerk en staat werd ingevoerd en kerkelijke ambtdragers geheel met de gewone burgers werden gelijkgesteld, constateert Andreae dat de patriotse dominees een sterk maatschappelijk overwicht hadden – vooral op het platteland. Zij werden veelal de leiders van kiesvergaderingen en tot voorzitters van municipaliteiten verkozen.

Daarop kwam uiteindelijk de reactie dat geestelijken werd verboden om nog enig wereldlijke functie te bekleden.

“Dat bij de constitutie van 1806 het lidmaatschap van enige kerkelijke gemeente voor elk staatsburger verplicht werd gesteld, was import: een totalitair-kerkelijk beginsel, dat hier niet goed aansloeg. Nog minder het beginsel der Inlijving van 1810, het napoleontische, volgens hetwelk de geestelijken ambtenaren der burgerlijke gemeenten zouden zijn, uit gemeentekas betaald.”

Nederland kan bogen op een lange traditie van secularisme. Staatskerken zijn dit land vreemd, en kerken hebben langzaam maar zeker hun rol in de wereldlijke domeinen zien teruglopen. Of om te beeindigen met de woorden van Andreae: “scheiding van kerk en staat zou er zijn en blijven.”