Bardot, Fallaci, Houellebecq en Wilders ~ Paul Cliteur

Paul Cliteur betoogt in Bardot, Fallaci, Houellebecq en Wilders dat de vrijheid van meningsuiting moet worden verdedigd. Hij geeft op heldere wijze aan dat de vrijheid van meningsuiting te lijden heeft onder een misvatting van het concept tolerantie. Tolerantie betekent namelijk eigenlijk dat men zich tolerant opstelt ten opzichte van meningen waarmee men het juist niet eens is. Multiculturalisten menen echter dat tolerantie betekent dat niemand dingen mag zeggen die door bepaalde groepen als beledigend kunnen worden beschouwd. Als meningen worden verboden omdat zij beledigend zouden zijn, gaat het echter in rap tempo berg afwaarts met de vrijheid van meningsuiting.

Wat is het atheïsme en wat gelooft een atheïst?

Door sommigen wordt het atheïsme gezien als een religie zoals het christendom, jodendom of de islam. Dat is onjuist. In werkelijkheid zijn atheïsten een heterogene groep die slechts één zaak met elkaar gemeen hebben: zij hebben een afwijzende houding ten opzichte van het “theïsme”.

De Seculiere Kieswijzer

De seculiere kieswijzer 2017 is een initiatief van secularisme.nl . In aanloop naar de verkiezingen van 15 maart 2017 deden wij onderzoek naar de rol van religie in de verkiezingsprogramma's van alle Nederlandse politieke partijen.  Centraal daarbij stond de...

Islamisering daar zit een keurig plan achter

Door Marcel Hulspas. Nu lijkt Indonesië dus aan de beurt. Alhoewel de rechtszaak tegen gouverneur Ahok van Jakarta nog zeker niet is afgerond (de zaak wordt hervat op 3 januari), kan de hele affaire nu al beschouwd worden als een grote overwinning van de conservatieve...

Bardot, Fallaci, Houellebecq en Wilders ~ Paul Cliteur

Bardot, Fallaci, Houellebecq en Wilders ~ Paul Cliteur

Zijn de artikelen 137 c en d van het Wetboek van Strafrecht een vehikel van kafkaëske multiculturalisten die tolerantie door Orwelliaans taalgebruik eroderen?

Misschien wel. In zijn boek Bardot, Fallaci, Houellebecq en Wilders gaat Paul Cliteur in op de strafzaak Wilders II. Wilders werd toen vervolgd wegens zijn “Minder, minder, minder Marokkanen” uitspraak, of liever vraag. Kan dat?

Artikel 137 c en d van het Wetboek van Strafrecht

Het artikel waar het allemaal om te doen is, is artikel 137 van het wetboek van strafrecht. En dan in het bijzonder de leden c en d. Hierin worden 4 zaken strafbaar gesteld, die ten opzichte van 4 groepen niet mogen.

Je mag niet:

  1. Beledigen
  2. Aanzetten tot haat
  3. Aanzetten tot discriminatie
  4. Oproepen tot geweld

Ten aanzien van:

  1. Ras
  2. Godsdienst of levensovertuiging
  3. Hetero- of homoseksuele gerichtheid
  4. Lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap

Wilders werd vervolgd wegens de belediging van een ras. Paul Cliteur wijst de rechter erop dat het moeilijk is om Marokkanen een ras te noemen – het is een nationaliteit.

Ofschoon de juridische beschouwingen van het wetsartikel door Paul Cliteur zeer het lezen waard zijn, is interessanter dan deze technische discussie, deze vraag die Cliteur stelt: Wat is echte tolerantie en hoe verhoudt dit zich tot belediging?

Tolerantie

Paul Cliteur pleit ervoor dat we gaan nadenken over de wenselijkheid van het vervolgen van onwelgevallige meningen. Wat je ook van de toon vindt van Wilders, is het niet zo dat tolerantie precies dát is, dat je accepteert dat er meningen worden geventileerd waar je het niet mee eens bent? Het verbieden van die meningen, dát is intolerantie. Wanneer je meningen gaat verbieden op basis van “intolerantie”, gebruik je de term intolerantie abusievelijk.   

Zo was het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ook van mening in 1976, in de befaamde zaak Handyside v.s. Verenigd Koninkrijk. Het schreef toen (nog) dat “Freedom of expression…is applicable not only to ‘information’ or ‘ideas’ that are favourably received or regarded as inoffensive or as a matter of indifference, but also to those that offend, shock or disturb the State or any sector of the population. Such are the demands of that pluralism, tolerance and broadmindedness without which there is no ‘democratic society’.

Daarmee gaf het Hof uiting aan het Voltairiaans begrip van tolerantie. Voltaire zei: “Ik ben het niet eens met wat je zegt, maar ik ben bereid om mijn leven ervoor te geven dat je het kunt zeggen.”

Het Hof benadrukt dus ook dat pluralisme juist gebaat is bij dissidente meningen. Het garandeert “viewpoint diversity”, dus een verscheidenheid aan opvattingen in de samenleving.

Multiculturalistisch Tolerantiebegrip

Daar tegenover staat het multiculturalistische begrip van tolerantie. Deze vorm van tolerantie gaat ervan uit dat elke groep in de samenleving niet alleen even goed is (cultuurrelativisme), maar ook het recht heeft om niet beledigd te worden of te worden onderworpen aan kritiek dat als beledigend zou kunnen worden opgevat. 

Daarmee worden deze identitaire groepen als het ware immuun verklaard voor enige vorm van kritiek, ongeacht of die hout snijdt. Machteld Zee spreekt in dit verband ook wel van “Heilige identiteiten”. Dat deze identiteiten gekritiseerd kunnen worden, volgt echter uit ons grondwettelijk recht op vrijheid van meningsuiting. Het multiculturalistische tolerantiebegrip, staat daarmee dus op gespannen voet met de vrijheid van meningsuiting.

De Lezer van Bardot, Fallaci, Houellebecq en Wilders wordt één ding duidelijk: de verscheidenheid aan opvattingen (viewpoint diversity) moet worden beschermd, niet de groepsidentiteiten die volgen uit die opvattingen.

Voltairiaans begrip van Tolerantie onder druk

Sindsdien (1976, Handyside .v.s. Verenigd Koninkrijk) wordt er een hete strijd gevoerd tussen het Voltairiaans tolerantiebegrip en het multiculturalistische begrip van tolerantie. En dat gaat helaas niet altijd helemaal goed.

Na Handyside v.s. het Verenigd Koninkrijk zijn er meerdere zaken geweest die gaan over waar de grens van de vrijheid van meningsuiting loopt. Niet altijd wordt dat beslecht in het voordeel van de vrijheid van meningsuiting.

1994 Otto Preminger v.s. Oostenrijk

In 1994 in de zaak Otto Preminger v.s. Oostenrijk wordt de frase “offend, shock or disturb” door het Hof herhaald. Echter, er wordt een criterium aan toegevoegd: de uiting moet bijdragen aan het maatschappelijk debat.

1997 Wingrove v.s. het Verenigd Koninkrijk

In 1997 beslechte het Hof de zaak Wingrove v.s. het Verenigd Koninkrijk in het nadeel van de vrijheid van expressie. Het Verenigd Koninkrijk had de film Visions of Ecstacy, over de seksuele fantasieën van Thérèsa d’Avila, verboden. Het werd door de Britse staat als obsceen geacht en een aanval op religie. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens achtte het verbod niet als een inbreuk op het Europese Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) en het verbod werd dus gehandhaafd.

2006 I.A. v.s. Turkije

In 2006 ligt er de zaak I.A. v.s. Turkije voor het Europese Hof. Het gaat om de veroordeling van een directeur van een uitgeverij, die het vanwege het publiceren van de roman Les phrases interdites van Abdullah Riza Ergüven met de Turkse rechterlijke macht aan de stok had gekregen. Het verbod blijft gehandhaafd. “Een droevige uitspraak”, zo stelt Cliteur, “Het Hof steunt in feite de dictatuur van Erdogan.”

Wel wordt in datzelfde jaar en land het verbod op een andere roman opgeheven, in de zaak Tatlav v.s. Turkije. Het boek bevatte scherpe islamkritiek. Dit verbod werd door het Hof wel in strijd geacht met het EVRM.

Wij zien dus op Europees niveau een ambivalente houding van de rechterlijke macht ten aanzien van de vrijheid van meningsuiting. Soms staat het Hof wél voor deze vrijheid en voor de vrijheid van meningsuiting en expressie.

Toch lijkt de teneur duidelijk: langzaam zijn wij weg aan het bewegen van het Voltairiaans tolerantiebegrip waaraan het Hof in 1976 nog zo duidelijk uitdrukking gaf toen het stelde dat het tolereren van meningen die “Shock, offend or disturb” een noodzakelijke randvoorwaarde is voor het functioneren van een democratische rechtsstaat.

Dat wij wegbewegen van dit tolerantiebegrip, ziet Cliteur – terecht – als kwalijk. het tij zal moeten worden gekeerd. De zaak Wilders II moet dan ook worden beschouwd in deze context.

Empirisme versus idealisme in het islamdebat

Iedereen is het er wel over eens dat het wenselijk zou zijn als er geen connectie tussen religie en gewelddadig handelen zou bestaan. Waar het verschil tussen mensen zit, is dat idealisten denken dat als je echt gelooft dat dit verband niet bestaat, het er ook feitelijk niet is. Het beeld van de struisvogel die zijn kop in het zand steekt doemt op.

Empiristen wijzen er echter op, dat ondanks dat het een mooie wereld zou zijn als dat waar was, de wereld zich niet (noodzakelijkerwijs) voegt naar onze geestesspinsels over hoe die er idealiter uit zou zien.

Paul Cliteur schrijft over een zo’n empirist, Éric Zemmour, dit:

“Hij ziet zichzelf overigens niet als een “provocateur”, zoals zijn critici bij de traditionele middenpartijen hem graag zien, maar als een adequate analyticus en observator die de werkelijkheid geen geweld wil aandoen door de harde realiteit door een rozige waas van politieke correctheid te laten vertekenen.”

Empiristen constateren dat de moord op Theo van Gogh, omwille van zijn film, islamitisch gemotiveerd was. Dat gaf de moordenaar namelijk ook zelf toe in zijn verklaring – hij dacht het te moeten doen om een goed moslim te zijn.

Empiristen kunnen ook constateren dat de fatwa religieus gemotiveerd was, die Ayatollah Khomeini in 1989 uitsprak over de schrijver Salman Rushdie en hem daarmee vogelvrij verklaarde voor de islamitische wereld. Salman Rushdie heeft meer dan tien jaar onder moeten duiken, wordt 24 uur per dag bewaakt en heeft een bomaanslag op zijn leven overleefd. Niet het leven dat de meeste aspirant schrijvers zich graag zouden voorstellen.

Verders stellen empiristen vast dat de Deense Cartoonaffaire (2005) niet had plaatsgevonden als islamisten kritiek op de profeet Mohammed zouden dulden. Dat de aanslag op Charlie Hebdo niet zou hebben plaatsgevonden als islamisten niet zouden geloven dat de vrijheid van expressie niets waard is, wanneer het zich kritisch uitlaat over de islam.

Empiristen constateren dat de aanslag op het World Trade Center, op de Bataclan of in Manchester; de aanslag op de homoclub in Orlando, The London Bridge, Spanje,  – het wordt te veel om op te noemen – allemaal met een interpretatie van het islamitische dogma te maken heeft.

Zouden Empiristen willen dat religie niet tot geweld leidt?

Ja.

Is het ook waar?

Helaas niet – zo blijkt.

Ook Bardot, Fallaci, Houellebecq en Wilders zijn in de betekenis van Paul Cliteur proponenten van deze empirische stroming. Dat is een belangrijk punt.

Theoterrorisme – to call each thing by its right name

Paul Cliteur stelt dat de wereldleiders de grootste moeite vertonen dit terrorisme bij de juiste naam te noemen. Men spreekt wel van terrorisme, maar de Obamas en Merkels van deze wereld kunnen het niet over hun tong krijgen om de aanslagen in bijvoorbeeld Orlando of Berlijn te koppelen aan de islam.

Cliteur zegt daarover: “Onze overheden en terrorismedeskundigen doen op dit moment verwoede pogingen om hedendaagse Syriëgangers of de ideologie die door IS wordt verspreid te begrijpen. Voornamelijk Barack Obama en Hillary Clinton slagen daar slecht in. Dus komen zij met frasen als “extremisten” en “monsters” en dat soort kwalificaties”.

Wat wél een juiste aanduiding zou zijn, is het begrip dat Paul Cliteur daarvoor hanteert: theoterrorisme. Deze benaming erkent de connectie tussen het terroristisch handelen van de terroristen en hun religie.

Bijkomend effect is dat deze politici daarmee het electoraat van zich vervreemden en het daarmee “in de handen” van deze “populisten” of eigenlijk liever “empiristen” drijven.

Dat er een connectie bestaat tussen religie en het terrorisme is namelijk voor veel mensen zo helder als kristal. De terroristen zelf geven ook heel duidelijk aan dat hun aanslagen religieus gemotiveerd zijn. Dat zij martelaren willen worden. Dat zij zich in elk geval op een interpretatie van de koran baseren. Dat zij het opnemen voor de profeet Mohammed, zoals in het geval van de aanslag op Charlie Hebdo. En Allahu Akbar is niet een zelden geuitte term bij het uitvoeren van de handelingen.

En toch (om nu maar een citaat uit mijn persoonlijke collectie te gebruiken) horen we David Cameron zeggen: “They claim to do this in the name of islam. That is nonsense. Islam is a religion of peace.”

“Men laat zich leiden door wenselijkheid en niet door feiten”, verzucht Cliteur; net als de kerk ten tijde van Galileo Galilei.

De vier zuilen van het Theoterrorisme

Ook in het dogma van het monotheïsme vindt de empiricus steun. Paul Cliteur ontwaart 4 ‘zuilen’ van het theoterrorisme.

  1. God’s wil is wet [Genesis 22: 16; Koran 37:109]
  2. De suprematie van religieuze wetten boven die van de staat, met geweld kracht bijgezet [Numeri 25]
  3. Dood de leiders van de verkeerde religieuze sekten [1 Koningen 18:40]
  4. Bereidheid om een offer te brengen [2 Makkabeeën 7]

Opvallend is dat hoofdzakelijk christelijk dogma wordt geciteerd. Dat vermindert echter niet de toepasbaarheid op de islam. Deze zuilen doorlopen alle monotheïstische godsdiensten. Het Jodendom en het Christendom lijken grotendeels ervan geëmancipeerd. Op dit tijdsgewricht is het met name de islam die nog de bereidheid kent om uiting te geven aan deze radicale interpretatie van de godsdienst.  Maar de ingrediënten van het theoterrorisme vind je in elke monotheïstische godsdienst. Daarom dekt het woord “theoterrorisme” ook zo goed de lading.

Symptoombestrijding van het theoterrorisme

Het niet willen erkennen dat er een verband bestaat tussen iemands religieuze overtuiging en diens gewelddadig handelen, werkt het volgende mechanisme in de hand. Eerder dan dat wordt gezocht naar oplossingen die gericht zijn op de religieuze motivatie, worden de tegenreacties aangevallen die dit probleem aan de kaak proberen te stellen.

En die symptoombestrijding gebeurt door strafrechtelijke vervolging. Wilders is al twee maal aangeklaagd; Bardot heeft 5 rechtsgangen moeten doorlopen, Houellebecq is op het matje geroepen en ook Oriana Fallaci heeft zich mogen verantwoorden voor de rechter.

Niet zelden werden zij ook daadwerkelijk veroordeeld.

Zware beschuldigingen gaan gepaard met dergelijke vervolgingen. Zij zouden “racisten” zijn, omdat zij kritische kanttekeningen plaatsen bij immigratie, wat een politiek vraagstuk is. De vraag is natuurlijk of een afwijzende houding tegenover de komst van grote groepen mensen uit het buitenland, per definitie betekent dat je ook vindt dat het ene ras beter is dan het andere. We moeten heel voorzichtig zijn om dat zomaar aan te nemen, vindt Paul Cliteur.

Ook zou godsdienstkritiek “racistisch” zijn, ondanks dat je geloof niet aan je huidskleur is gekoppeld. Die kritiek is daarnaast “beledigend” en komt voort uit een ongegronde vrees (fobie) voor de immigranten (xenofobie) of de religieuze gemeenschap (islamofobie).

De “zieke” geesten die godsdienst kritisch zijn en “ongegronde” vrezen hebben voor de islam, zouden moeten worden genezen.

Hoe beter dan door een strafrechtelijke veroordeling?

Tot veroordeling wordt de rechterlijke macht aangemoedigd door een zelotische schare mensen die zich “beledigd” voelt, doordat een heilig verklaarde identiteit gekritiseerd wordt. Tot de aanklagers begeeft zich ook een lobby van NGO’s zoals de Ligue Islamique Mondiale, een in Saoedi-Arabië gevestigde organisatie die een van de eisende partijen was in het proces-Houellebecq.

Bardot, Fallaci, Houellebecq en Wilders: Vrijheid van meningsuiting in nationale rechtspraak

Parallel aan de uitspraken door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, lopen door deze symptoombestrijding ook nationale zaken die raken aan de vrijheid van meningsuiting en godsdienstkritiek. Zaken, namelijk, die lopen tegen Bardot, Fallaci, Houellebecq en dus ook tegen Wilders.

Laten wij eens kort doorlopen hoe de meningsuiting van Bardot, Fallaci en Houellebecq hen in aanraking heeft gebracht met justitie.

Bardot

Om te beginnen met Brigitte Bardot. Bardot was een gevierd symbool van de Frans cultuur. Het Franse equivalent van Marilyn Monroe. Met vrienden als Jacques Chirac en Sarkozy. Wie aan Franse schoonheid dacht, dacht aan deze actrice en fotomodel: in bikini – geen boerkini – op het strand. Later in haar leven raakte zij zeer betrokken bij de zaak voor dierenrechten.

Paul Cliteur beschrijf het pijnpunt:

“Moslims vieren het feest van Aïd-el-Kébir. Dat is een feest dat herinnert aan de bereidheid van Abraham (in de islam: Ibrahim) om zijn zoon te offeren op bevel van God. Die bereidheid wordt gevierd door een schaap te offeren. Nu gaat het in deze controverse om de vraag hoe dat schaap wordt geofferd: verdoofd dan wel onverdoofd. De verdoofde slacht is diervriendelijker. Maar godsdiensten als islam en ook het jodendom bepleiten een onverdoofde rituele slacht en als uitvloeisel van hun godsdienstvrijheid.”

Bardot maakte met betrekking op dit feest tegenover Sarkozy deze opmerking: “Ik ben het zat onder de duim te worden gehouden door een volksdeel dat erop uit is ons te vernietigen, ons land te vernietigen en ons hun wil op te leggen.” Bardot sprak ook van de “islamisering van Frankrijk.” Die uitspraak is opgepikt en vormt de basis voor haar vervolging.

Brigitte Bardot voelt een morele weerzin tegen het onverdoofde slachten en uit daarover haar misgenoegen. Daarvoor is zij aangeklaagd wegens aanzetten tot discriminatie en aanzetten tot haat. in 1997 werd Bardot veroordeeld vanwege het aanzetten tot rassenhaat, nadat zij in een open brief het begrip “buitenlandse overbevolking‘ had gehanteerd.

In totaal is Bardot 5 keer veroordeeld. Haar aanklager, Anne de Fontette gaf aan een “een beetje moe te worden van het vervolgen van mevrouw Bardot.” Paul Cliteur merkt op dat het niet onvoorstelbaar is dat Bardot zelf ook een beetje moe wordt vervolgd te worden.

Fallaci

De Italiaanse Oriana Fallaci zag de ideologie van het islamisme als een speciaal soort fascisme. Zij zag een geestelijke crisis in Europa. In wat Cliteur de Fallaci trilogie noemt doet zij haar visie op de islam uit de doeken.

Fallaci is zeer uitgesproken. Zij spreekt over een “invasie van Europa” door de islam, dat imperialistisch zou zijn. Fallaci trekt fel ten strijde tegen de Verenigde Naties “die samen met onze onvolprezen Europese Unie de misdaden ‘islomofobie’ en ‘ontering van de islam’ heeft bedacht.”

Ook bekritiseert Fallaci het werk van mensenrechtenrapporteur Doudou Diène die het als zijn taak beschouwde om te zoeken naar gevallen van islamofobie “waardoor moslims in Amerika en Europa na 11 semptember geen leven meer hebben”. In zijn rapporten beschrijft Dène aspecten van deze “islamofobie”, zoals de “intellectual legitimization of increasingly overt hostility towards Islam and its followers by influential figures in the world of arts, literature and the media.”

Paul Cliteur maakt hierbij een scherpe opmerking: “Let op die woorden ‘influential figures in the world of arts, literature and the media’. We hebben hier een overheidsfunctionaris aan het woord, die de wereld wil zuiveren van het verkeerde denken. Dit doet sterk denken aan het Stalinisme en aan de Inquisitie in het christendom.”

Houellebecq

Michel Houellebecq werd, in de woorden van Fallaci, “aangeklaagd omdat hij de koran het stompzinnigste en gevaarlijkste boek had genoemd”. Het interessante aan de casus van Houellebecq is dat hij een romancier is. Zijn boek Platforme raakte in opspraak wegens islamkritiek die zijn karakters uitten. Maar uiteindelijk werd hij voor het gerecht gedaagd vanwege een interview dat hij daarover gaf. De aanklagers waren “verschillende moslimorganisaties en de leiders van de moskeeën van Parijs en van Lyon”.

Zijn Islamkritische roman Platforme was gepubliceerd vóór 9/11, wat hem volgens Paul Cliteur de reputatie gaf van een visionair. Maar bij anderen werd hij “gehaat als ‘islamofoob’, ‘xenofoob’ of ‘racist’”.

In Platforme zegt iemand dat hij een genoegdoening voelt wanneer een Palestijnse terrorist wordt gedood, en dat het lezen van de koran een deprimerende aangelegenheid is (wat overigens inderdaad het geval is) aangezien de islam “de domste religie” is.

Houellebecq werd vrijgesproken, al hing hem een boete van 52,000 euro en een jaar gevangenisstraf boven het hoofd.

De rechter zei: “Uiting gegeven aan zijn haat voor een bepaalde godsdienst (…) kan niet worden aangemerkt als het aanzetten tot haat jegens degenen die deze godsdienst aanhangen”.

Wat Bardot, Fallaci, Houellebecq en Wilders gemeen hebben

Bardot, Fallaci, Houellebecq en Wilders zijn vier hele verschillende personen (zoek de verschillen, zou Geerten Waling zeggen). De overeenkomsten tussen de vier bestaat hieruit:

  1. Zij geven een culturele analyse van het hedendaags religieuze geweld.
  2. Hedendaags islamisme of de islam heeft een negatief effect op de integratie van religieuze en etnische groepen in de westerse samenlevingen.
  3. Deze cultuurstrijd moet worden benoemd.

Wat leren de zaken Bardot, Fallaci, Houellebecq en Wilders ons?

In elk geval dat wij steeds voorzichtiger moeten zijn met wat wij zeggen, als wij niet vervolgd willen worden.

Ook is het het geval dat er zeer los wordt omgesprongen met zware termen als racisme en aanzetten tot (rassen)haat. Zoals in het geval van Bardot. Ze gaf alleen maar aan dat ze het zat was.

Tsja.

Het moment dat we het uiten van een oprecht doorvoeld ongenoegen strafbaar stellen, is de samenleving van Kafka, of Bordewijks Blokken niet ver weg meer.

We komen toch weer terug op dat begrip tolerantie. Je hoeft het niet met iemand eens te zijn om te kunnen inzien dat het belangrijk is dat die diversiteit van opvattingen kan bestaan.

Juist waar opvattingen elkaar vrijelijk kunnen beconcurreren, daar bloeien de beste ideeën op.

Cliteur vindt overigens zelf de “minder, minder, minder” uitspraak van Wilders ook “niet behulpzaam”.

Dat Paul Cliteur in Bardot, Fallaci, Houellebecq en Wilders zo’n sterk pleidooi heeft neergezet in verdediging van de vrijheid van Wilders om zijn (onwelgevallige) mening te uiten, duidt erop dat voorlopig de zaak van het Voltairiaans tolerantiebegrip in Nederland nog niet verloren is.

Laten we op die positieve noot eindigen.

Wat is het atheïsme en wat gelooft een atheïst?

Wat is het atheïsme en wat gelooft een atheïst?

Wat het atheïsme is en wat atheïsten geloven, daarover bestaan veel misvattingen. Binnen de westerse wereld is met name Amerika een goed voorbeeld van een land waar misvattingen over het atheïsme wijd verspreid zijn. Buiten het Westen kun je ook veel incorrecte opvattingen vinden over wat een atheïst is. Soms raken deze denkbeelden aan spookverhalen. In Nederland zijn deze misvattingen in mindere mate aanwezig dan in andere delen van de wereld. Toch kun je ze hier ook tegenkomen. Daarom lees je hier wat het atheïsme is en wat het niet is.

Etymologie van “atheïsme”

Het woord “atheïsme” is eigenlijk een samentrekking van twee woorden. Het woord “a” is een ontkenning of een negatie en betekent dus “niet” of “zonder” X, waarbij X vanalles kan zijn. In het geval van atheïsme is deze X het “theïsme”. Dit is het tweede woord waaruit het woord atheïsme bestaat. Dit tweede woord is weer afgeleid van “theos”, wat god betekent.

Een atheïst is dus letterlijk “niet een theïst”

Wat opvalt is hoe weinig het woord atheïst dus eigenlijk zegt. Het zegt niets over wat de persoon die zich atheïst noemt wel gelooft. Het enige dat gezegd wordt is “ik noem mijzelf geen theïst”. Om te kunnen beschrijven wat een atheïst is, zul je dus ook moeten weten wat een theïst is. maar zodra je dit weet, weet je eigenlijk nog steeds niet zoveel. Daarmee beperk je alleen enkele mogelijkheden van wat de persoon die zich atheïst noemt anders wél zou kunnen zijn.

Hieruit volgt dat er een oneindig aantal ideeën bestaat waarin een atheïst kan geloven. Er zijn heel veel verschillende soorten atheïsten. Van hoogbegaafd tot zwakbegaafd, van rijk tot arm, van aardig tot onuitstaanbaar, van altruïstisch tot egoïstisch – je kunt niet weten hoe iemand is, als je alleen maar weet dat hij zich een atheïst, dus “niet een theïst” noemt.

“Alle atheïsten zijn immoreel”

Nu wij weten dat het atheïsme niets zegt over wat iemand gelooft, maar alleen iets zegt over wat hij niet gelooft, zien wij meteen hoe problematisch het is om universalistische uitspraken te doen over deze groep. Met andere woorden: “Alle atheïsten zijn immoreel”, of “alle atheïsten luisteren naar satanistische metal” zijn uitspraken die je wel kunt doen, maar die niet kloppen. Wel kun je zeggen “sommige atheïsten zijn immoreel” en “sommige atheïsten luisteren naar satanistische metal”. Maar tegelijkertijd is waar: “sommige atheïsten leven een ethisch bestaan” en “sommige atheïsten hebben een hekel aan satanistische metal”.

Een ergernis die bij veel atheïsten voorkomt, is dat zij op één hoop worden gegooid met andere atheïsten. Het zijn van een atheïst an sich zegt niets over wat je wél vindt en het is mogelijk dat je niets met een andere atheïst gemeen hebt behalve het feit dat jullie beiden jezelf niet als “een theïst” beschrijven.

Het is zelfs mogelijk dat je als theïst meer gemeen hebt met een atheïst dan met andere theïsten. Zo kunnen jullie bijvoorbeeld beiden viool spelen en de Mount Everest hebben beklommen, terwijl niemand in je kerk dat kan zeggen. Ook kan het waardevol zijn om een atheïst te vragen naar wat hij of zij wel gelooft. Wellicht kom je erachter dat wat jij als theïst gelooft, best wel dichtbij concepten van de atheïst staat als oneindigheid en moreel handelen.

Epistemologische varianten van atheïsme

Epistemologie, of de kennisleer, is een ontzettend interessante tak van sport. Het stelt vragen als

  • Wat is kennis?
  • Kunnen wij zekere kennis verwerven?
  • Hoe komen wij tot kennis?

De strikte betekenis van het atheïsme is bescheiden in zijn ambitie. Het beschrijft de toestand van een individu dat niet gelooft in het concept van god zoals dat door theïsten wordt gegeven. Het maakt geen harde epistemologische claims. Enkel geeft dit atheïsme aan niet overtuigd te zijn door de bewijzen die voor het bestaan van god worden gegeven door theïsten.

Sterk atheïsme (positief en negatief)

Een andere variant van het atheïsme, zou je het “sterke atheïsme” kunnen noemen. Het sterke atheïsme beschrijft de overtuiging zeker te weten dat god niet bestaat. Om een sterke atheïst te zijn, zul je dus een idee moeten hebben van wat kennis is; moeten geloven dat wij zekere kennis kunnen verwerven en overtuigd moeten zijn dat je weet hoe je tot kennis komt.

Er zijn enige problemen met deze stellingname. Hoe bewijs je namelijk non existentie? Wel is waar dat:

Absence of evidence is evidence of absence.

Maar is een bewijsmiddel (evidence) ook een sluitend, onomstootbaar bewijs (proof)? Mij is het in elk geval nog niet gelukt om de non existentie van enig object te bewijzen. Dat is naar mijn mening ook direct de reden dat de discussie over het bestaan van god een gebed zonder eind is. Tegelijkertijd kan men wel iets zeggen over de waarschijnlijkheid van het bestaan van god; namelijk dat die afneemt naarmate de tijd toeneemt zonder een bewijs te leveren.

Logische inconsistentie kan wel worden gezien als een bewijs voor het niet bestaan van datgeen dat logisch inconsistent is. Het enige dat je hiervoor moet aannemen, is dat zowel “A” als “niet A”, een uitsluitingsgrond is voor bestaan. Als god wordt beschreven in zulke termen, en deze termen kunnen worden aangetoond niet samen te kunnen, dan kan god niet bestaan op de manier zoals is voorgesteld. Deze denkwijze is die van het negatieve sterke atheïsme.

Epicurus

Een bekend, ja beroemd voorbeeld van deze argumentatievorm is het argument van Epicurus. Het stelt het probleem van het lijden aan de kaak, in de vorm van een reductio ad absurdum. Er wordt namelijk verondersteld dat:

  1. God is omnipotent (hij kan alles)
  2. God is omnibenevolent (hij heeft het beste met alles en iedereen voor)
  3. Als we om ons heen kijken, is zien wij lijden – er bestaat kwaad
  4. Dan is God ofwel niet in staat om het kwaad op te heffen, of hij kan het maar doet het niet.
  5. Als hij het niet kan opheffen is hij niet omnipotent
  6. Als hij het niet wil opheffen is hij niet omnibenevolent
  7. Als hij wil noch kan, waarom zou je hem dan nog God noemen?
  8. Waar komt kwaad vandaan, als hij het kwaad zowel kan als wil opheffen?

Het antwoord op het probleem van het lijden van Epicurus komt in verschillende vormen. Je ziet theologen verschillende gedachtenkronkels maken om bijvoorbeeld te beargumenteren dat het lijden kwaad lijkt, maar uiteindelijk goed is. Zo zou “goed” niets betekenen zonder vrije wil en de vrije wil behelst de mogelijkheid van lijden en het kwaad.

Machteld Zee uitgeroepen tot atheïst van het jaar 2017

Machteld Zee uitgeroepen tot atheïst van het jaar 2017

11-06-2017, Houten. Machteld Zee, auteur van het boek Heilige Identiteiten, op weg naar een Shariastaat? is vandaag uitgeroepen tot atheïst van het jaar op een symposium van het Atheïstisch Verbond. Reden tot de uitroeping is haar onderzoek naar de shariaraden in Groot Brittanië, dat internationaal veel aandacht trok. Zee volgt Paul Cliteur op als titeldrager, die verbonden is aan de Universiteit van Leiden als hoogleraar encyclopedie van het recht.

Uitreiking prijs

Uit het onderzoek van Machteld Zee blijkt onder andere dat de rechten van vrouwen in de Londonse shariaraden onder druk staan. Zo is het in sommige gevallen praktisch onmogelijk om te scheiden van een man zonder zijn toestemming. Ook is het nog maar de vraag of een parallel rechtssysteem wenselijk is. Machteld Zee waarschuwt voor deze shariaraden. Zo ook voor de door Saudi-Arabië gesponsorde verspreiding van het wahabisme. In haar toespraak benadrukte zij het belang om ook buiten de atheïstische gemeenschap bondgenoten te zoeken bij het uitdragen van seculiere waarden.

De prijs werd uitgereikt door Peter Waterdrinker, voorzitter van het Atheïstisch Verbond.

Sprekers

De bijeenkomst, ter gelegenheid van “Atheïsmedag”, kon bogen op een groot aantal gevierde sprekers uit atheïstische / humanistische hoek. Voorgezeten door dagvoorzitter Dirk Metselaar, trapte Paul Cliteur de bal af. Daarop volgden Tom Herrenberg, Boris van der Ham, Floris van den Berg, Tineke Kooiman, Frank Ong-Alok. Ook mocht een representant van de kerk van het Vliegende Spaghettimonster niet ontbreken.

10 merkwaardige manieren waarop de kerk als staat optreedt tijdens de Republiek

10 merkwaardige manieren waarop de kerk als staat optreedt tijdens de Republiek

De kerk op wereldlijk terrein onder de republiek , door Mr. S.J. Fockema Andreae (1952)

De scheiding tussen kerk en staat in Nederland is niet iets dat abrupt tot stand is gekomen. Daarentegen is het een geleidelijk proces geweest, dat met horten en stoten langzaam de huidige (onvoltooide) situatie heeft voortgebracht. Daar getuigt ook de publicatie van Mr. S.J. Fockema Andrae van, genaamd ‘De kerk op wereldlijk terrein onder de Republiek’, dat in 1952 werd gepubliceerd.

De publicatie van Andreae is bedoeld als oriëntatie op de toestand van de scheiding tussen kerk en staat ten tijden van de Republiek. In zijn verhandeling besteedt hij aandacht aan de verschillende wereldlijke domeinen waarin de kerk zich toen begaf. Kerk en staat, “incommensurabele entiteiten”, zo schrijft Andreae, ontmoetten elkaar op gebieden als het volksleven, de sociale zorg en het onderwijs; maar ook op gebieden die nu ( en toen) als wereldlijk worden beschouwd. Daarbij kan men denken aan persoonsregistratie, het opstellen van authentieke akten; administratie, censuur, strafzaken en het bijstaan van de regering.

Tal van deze domeinen zijn geleidelijk door de overheid overgenomen. De kerk bemoeide zich soms gevraagd, soms ongevraagd met de besognes van de staat. Soms traden predikanten op als volksvertegenwoordigers; soms lichtten zij de regering in over sentimenten onder de bevolking; of juist over misdaden die de burgers hadden gepleegd. Soms verleenden zij diensten tot het algemeen nut, zoals het bijhouden van sterfgevallen; soms waren deze diensten dubieus, zoals wanneer men zich tot de kerk moest wenden om een verklaring van goed gedrag te krijgen.

Er is niet eenduidig te zeggen dat de inmenging van de kerk in staatszaken in de tijd van de Republiek altijd en per definitie kwalijk was. Waar er geen overheid was, vulde de kerk het gat. Zo is het beter dát er armenzorg is, dan geen. Wel kan men zeggen dat de dubbele rol van de kerk onwenselijk was. Bijvoorbeeld bij strafzaken, waarbij de geestelijke zowel vertrouwenspersoon als rechercheur was; zowel ‘advocaat’ als aanklager. Die dubbele rol hoeft de kerk tegenwoordig niet meer te vervullen, door de opkomst van de seculiere staat met scheiding der machten – en dat ís per definitie goed.

Hier volgt een overzicht van de zaken die Andreae opmerkte over de toestand van de scheiding tussen kerk en staat in de Republiek.

1. Persooonsregistratie

Al voor de Hervorming heerste de opvatting dat zaken als het huwelijk en de doop geregistreerd dienden te worden. Het Concilie van Trente (1545-1563) had dit nog nadrukkelijk bevestigd.

Dit zag men als een zaak van het algemeen belang, omdat het voor verschillende doeleinden werd gebruikt en voor een geringe vergoeding werd afgegeven. Het gebeurde onder de verantwoordelijkheid van de predikant.

“Tegen het einde van de Republiek, wordt hier en daar voorgeschreven dat de registers in dubbel moeten worden gehouden en dat de duplicaten met enig regelmaat aan de burgerlijke overheid moet worden afgegeven. Wereldlijk voorschrift, door de kerk aanvaard.”

De overheid verplichtte de kosters ook om van elke begrafenis aangifte te doen, wat met name belangrijk was voor de inning van de erfbelasting.

“Zo diende de kerk het algemeen belang, des-onbewust.”

2. Authentieke akten

Geestelijken vervulden ten tijden van de Republiek ook de rol van een soort notaris:

“Onder de oude bedeling was het een recht, maar ook een plicht der geestelijken, de leken ten dienste te staan in het opmaken en bezegelen van allerlei Authentieke akten.” Alleen als het de overdracht van onroerend goed betrof was de inmenging van het lokale gerecht vereist.

Gedurende de Hervorming nam het aantal griffiers, secretarissen en notarissen echter dermate toe dat de handhaving van deze functie der geestelijken weinig reden had.

De Omwenteling van 1795, toen de Bataafse Republiek met hulp van de Fransen werd uitgeroepen, zou een einde maken aan de laatste rechten van de geestelijken om contracten en testamenten op te stellen (recht van zegelen), dat toen nog in sommige afgelegen streken bestond.

3. Administratieve tussenkomst

De striktheid van de scheiding tussen kerk en staat varieerde ook van gewest tot gewest. In de meeste provincies werd slechts bij uitzondering een beroep gedaan op de medewerking van kerkelijke organen voor bestuursdoeleinden. De Staten richtten zich daarentegen meestal tot “Schoute en Geregte”. De schout was toen belast met opsporing, het voorzitten van het gerecht en hij was ook wat met nu de openbaar aanklager zou noemen.

In de noordoostelijke gewesten was het seculier bestuur echter dunner verspreid en daar werd de kerk wél belast met dergelijke wereldlijke taken. “Men deed bijvoorbeeld voor belastingaangiften een beroep op de parochiebesturen – zelden op de predikant en nooit op de kerkraden. Theoretisch onderscheidde men namelijk “wereldlijk” en “kerkelijk” parochiebestuur.”

Voor bewijzen van goed gedrag richtte de overheid zich tot kerkelijke organen en personen. “Maar toch, zo schijnt het, hier in mindere mate dan in andere landen met totalitaire kerken.”

Deze taken werden ook in toenemende mate door de overheid verricht “en zo schijnt niet zelden op betere wijze. Het is veelzeggend als men soms classicale vergaderingen besluiten ziet nemen tegen het lichtvaardig afgeven van verklaringen door predikanten bijvoorbeeld aan zwervers.”

In het algemeen is het minder gewoon dan soms elders, dat kerkgebouwen voor wereldlijk-openbare doeleinden worden gebruikt. Behalve in Friesland en Drenthe, waar talrijke stemmingen in de kerken plaatsvinden. Af en toe ook in de Groningse ommelanden. Maar in het algemeen ziet de kerk zulk wereldlijk gebruik niet graag; synoden ijveren ertegen.

Het is tekenend voor de tijden van de Republiek, toen er veel minder mensen in Nederland woonden en de kerk een veel prominentere rol speelde in het leven van alledag; dat men zoiets als een verklaring van goed gedrag zou moeten krijgen van de dorpspriester. Wat “goed gedrag” precies behelst, loopt zo het risico een kerkelijke invulling te krijgen. Het geeft aan dat het toch nog lastig was om je te onttrekken aan de kerk; en hoe de kerk tot diep in de vezels van de maatschappij was doorgedrongen.

4. Onderwijs

Onderwijs kon in de Republiek nog moeilijk los worden gezien van religie. Zonder een geloofsverklaring te geven, kon je eigenlijk geen onderwijzer worden. Toch voltrekt zich langzaamaan een proces, met name in de grote steden, waarbij onderwijs buiten de kerkelijke kringen en invloedssfeer wordt gegeven.

“In de kerkorden wordt toezicht, althans op de Christelijke aard van het onderwijs, als een taak der Kerk gevindiceerd en voorgeschreven tegelijk. De Dortse kerkorde betrekt in dezen reeds vast bepaalde stelling, door met name de ondertekening ener geloofsverklaring te eisen van alle onderwijzers en van de hoogleraren der theologische faculteiten – voor de overigen kan men het alleen aanbevelen.”

“Het officiële onderwijs is Calvinistisch, al slaagt de kerk niet in volledige controle. Aan de hogescholen worden al te duidelijke afwijkingen van de kerkleer niet geduld, zoals Bayle en Van der Marck, om slechts deze te noemen, hebben ondervonden.”

Ook zaten de geestelijken in het bestuur van de scholen:

“Van de curatoren-colleges der latijnse scholen was steeds een predikant lid; zo ook van de commissies voor de armenscholen e.d.. In de dorpen, waar de koster tevens als onderwijzer dienst deed, was de band tussen de predikant en hem uiteraard al heel nauw.”

De kerk kon moeilijker haar invloed uitoefenen over wat als niet-officiëel onderwijs aangemerkt stond. Onderwijsvrijheid, waar de christelijke partijen zich thans op beroepen om het bijzonder onderwijs in stand te houden, is eerder ontstaan ondanks, dan dankzij de gereformeerde kerk:

“Tevergeefs toornden kerkraden en synoden tegen bijscholen en winkelscholen – in de plakkaten verboden, maar feitelijk toegelaten. Vooral in de steden bereikte het officiële onderwijs slechts een gering deel der jeugd; de in toenemende mate erkende organisatievrijheid ook der andere kerken moest noodwendigerwijs enige onderwijsvrijheid met zich meebrengen. Ook het verzet tegen het bezoeken van scholen buitenslands bleef vrijwel vruchteloos.”

5. Censuur

Met name op het gebied van godsdienst zelf, wist de kerk een rol als censor te vervullen. Veel hogescholen en theologische faculteiten kregen hiermee te maken. Voor overige publicaties was haar censurerende rol beperkter, behalve binnen de ambtenarij.

“Van een algemene preventieve censuur wil onze Republiek niets weten; wèl van een repressieve – bij vlagen.”

Kerkraden en synoden richtten zich proactief tot de Statencolleges met verzoeken om boeken te verbieden. Ook waarschuwde men vanaf de preekstoel voor dit of dat boek. “Niet altijd ten genoege van de wereldlijke arm” zo schrijft Andreae hierover: “zoals die Friese predikant ondervond, die zich op het Landschapshuis moest laten zeggen:

“heb jij het boekje van Descartes wel eens degelijk gelezen? Jouw lui zijn een troep weetnieten, bloeden, die ’t boekje niet eens verstaan.”

Ter nuance merkt Andreae wel op, dat sommige predikanten wel degelijk ook bevorderaars van de Verlichting waren.

6. Sociale zorg

De kerk organiseerde haar eigen zorg voor haar eigen gelovigen. De “niet-totaliteit der kerk” – zoals Andreae het niet bestaan van een staatskerk duidt – kon dus ook niet de gehele samenleving van deze armenzorg voorzien.

De kerk bezette een plaats in het bestuur van de weeshuizen en de tehuizen, die in de steden een Gereformeerd karakter droegen. Over deze kerkelijke bestuurders werd wel altijd gezegd “de predikant blijft altijd de jongste” en hij stond hiërarchisch dan ook onder de regenten. Die jongste kon echter wel de meest invloedrijke zijn, daar de predikant vaak ook de secretaris van het bestuur was.

7. Strafzaken

Wat betreft strafzaken, noemt Andreae een aantal zaken die toch opmerkelijk zijn. Het beeld ontstaat dat geestelijken veel taken op zich namen die in onze moderne samenleving met goede redenen onderscheiden zijn. Een geestelijke kon zowel de rol van psycholoog en advocaat, als OM aannemen. De kerk constateerde strafbare feiten en gaf die aan, hoorde de verdachte uit, spoorde de overheid aan tot vervolging en pleitte ook voor strafvermindering.

“Dat de kerk bij haar zielzorg het oog hield op delicten en deliquenten, spreekt vanzelf. De Overheid verwachtte ook, dat de Kerk hierin nauw met de wereldlijke arm samenwerkte.

Het werd als de plicht van de zielzorger aangemerkt, een deliquent aan te geven, of hem tot inkeer en bekentenis te bewegen. In niet weinige geruchtmakende strafzaken werd aan de dominee uitdrukkelijk verzocht, op het gemoed van de verdachte te werken.”

Ook homofielen konden maar beter niet alles opbiechten:

“De overheid werd vermaand door de predikant te vervolgen in het geval van sodomie.”

De predikanten spoorden in andere gevallen ook juist aan tot matiging:

“De belangrijkste actiepost der Kerk op deze rekening is haar invloed op de humaniséring der straf – tot het niet toepassen van de doodstraf en eenvoudige diefstal e.d., en het oprichten van tucht- en werkhuizen.”

Gegeven deze dubbele rol die de kerk vervulde, noopt het echter niet tot al te grote verbazing dat er nog genoeg werk te verzetten was voor de humanistische beweging:

“De humanistische magistraten waren het, niet de Kerk, die circa 1600 de berechtingen van toverij deden eindigen.”

De vervolging van de schilder Torrentius was ondenkbaar zonder de medewerking van de kerk – in gevallen van godslastering werd haar expertise ingevlogen.

8. Bijstand der regering

Transparantie van de overheid is ook in onze tijd nog een onderwerp van aanhoudende zorg. Zo is het ook lastig om in de tijd van de Republiek precies aan te wijzen hoeveel invloed de kerk op de het dagelijks bestuur van het land had. Dát die aanwezig was, staat echter buiten kijf:

“Niet zelden zal het advies mondeling gevraagd en gegeven zijn. Invloed van een man als Ds Hofstede op onderscheiden beslissingen van Willem IV of van Willem V is waarschijnlijk; de Arnhemse Ds Fontanus moet de stappen van stadhouder Jan van Nassau wel vaak hebben bestierd, gelijk Willem Lodewijk de impulsen van een Borgerman, van een Menso Alting onderging.”

Ook in tal van ceremoniën was de aanwezigheid van de kerk schering en inslag; “Geen landdag zonder landdagspreek!” schrijf Andreae hierover.

Interessant genoeg is er ook een taak van volksvertegenwoordiging voor de geestelijken weggelegd. Het wist signalen onder de bevolking te signaleren en deze door te spelen aan de regenten. Zo had de kerk ook de taak om als bruggenbouwer op te treden en de afstand tussen het volk en de regering te dichten.

Het volgende kan ik niet kernachtiger voor u samenvatten; daarom presenteer ik het u in de woorden van Andreae zelf:

“In het algemeen moesten vooraanstaande kerkelijken de geestelijke bijstand van regenten en magistraten als een voornaam deel van hun ambt aanmerken. […] Men hoort de Haagse kerkraden weleens klagen over de druk dezer taak. De omvang is moeilijk vast te stellen, maar we hebben de indruk, dat een voornaam deel van de taken der predikanten te dezen hierin bestond, de regenten met stromingen onder de gemeente bekend te maken en hierdoor de kloven in het publieke leven te helpen overbruggen. […]

Dit was dus betreft de gewenste bemoeiing. Doch ook ongevraagd verhief de kerk haar stem, achtte zich geroepen Gods wil bekend te maken, zoals ze deze meende te verstaan; ook in de regeringszaken juist bij belangrijke gebeurtenissen; en wel allermeest, waar de overheid niet naar kerkelijk oordeel juist scheen te handelen. Oude pretentie, reeds vanaf de oud-Christelijke tijden af, door mannen als Calvijn en John Knox met ijver voorgestaan. Het conflict is van alle tijden; maar het is niet steeds even levendig geweest en het heeft zich ten anzent, na de grote crisis der bestand-jaren, te sluimeren gelegd. […]

Het kon er ook op aankomen, het volksgeweten tegenover de Overheid te doen gelden; zo niet desgevraagd, dan ongevraagd. Het leiden èn het representeren der openbare mening in donkere tijden mocht een der belangrijkste roepingen der geestelijke leiders heten. Uit meerdere gevallen één voorbeeld: de monarchale neigingen ten tijde van prins Willem III werden terzijde gezet, toen de “beroering der gemeente” door predikanten aan de overheidspersonen werd overgebracht.”

9. Volksleven

De kerk had echter ook aandacht voor haar stichtende rol inzake de zeden en zij trad graag op wanneer zich zedelijke of godsdienstige oneffenheden voordeden. Zo trad zij op tegen de Sabbatschending, tegen luidruchtige feestvieringen, tegen kermissen, danspartijen en dergelijke; tegen drankmisbruik, toneelvertoningen, kansspelen en ontucht; tegen volksgewoonten die als bijgelovig aangemerkt konden worden; en tegen alle openbare uitingen van Rooms-katholiek of dissenters kerkelijk leven, met name tegen niet-gereformeerde openbare functionarissen.

Ook stelde de gewestelijke synoden de Staten ieder jaar op de hoogten van de stand der zedelijkheid van haar bevolking. Ieder jaar zond zij een stuk, waarin ieder jaar praktisch dezelfde klachten stonden over de losbandigheid van de bevolking, naar de regenten in Den Haag, die “dit stuk dan, meer of min beleefdelijk, voor kennisgeving aannamen, maar zich ook wel eens geprikkeld gevoelden tot vernieuwing of wijziging der desbetreffende plakkaten.” Wanneer de wetgeving was aangepast, konden de burgers, na enig tijd, vaak wel weer in ruil voor geld “recht op overtreding” krijgen, “mits zekere grenzen en vormen in acht nemende.”

In de Rooms Katholieke kerk werden er soms kerkvisitaties gehouden waarbij dan vragen werden gesteld. De antwoorden werden vervolgens doorgespeeld aan de overheid. “Kerkelijke organen als opsporingsambtenaren!” schrijft Andreae hierover. Mettertijd namen deze praktijken echter wel af.

10. Voorbidding

Bij lokale of nationale gebeurtenissen heerste er het gebruik om bid- en dankdagen uit te schrijven. Die werden dan op volledige kosten van de overheid gepubliceerd.

Conclusie

We kunnen zien dat in de tijd van de Republiek de kerk zich veel verder waagde in wereldlijke taken dan nu het geval is. Kerkelijken zetelde in bestuursfuncties of boden hulpverlenende taken aan.

“Het blijft alles echter een incidenteel karakter behouden. De onvolkomen aansluiting geeft het verschil in geaardheid van het geestelijke/kerkelijke en het wereldlijk/bestuurlijke leven goed weer. Onze Kerk was geen staatskerk; onze staat geen ecclesiocratie. Over het algemeen bleven de sferen gescheiden.”

Vooruitblikkend op de Bataafse Republiek, waarbij de scheiding tussen kerk en staat werd ingevoerd en kerkelijke ambtdragers geheel met de gewone burgers werden gelijkgesteld, constateert Andreae dat de patriotse dominees een sterk maatschappelijk overwicht hadden – vooral op het platteland. Zij werden veelal de leiders van kiesvergaderingen en tot voorzitters van municipaliteiten verkozen.

Daarop kwam uiteindelijk de reactie dat geestelijken werd verboden om nog enig wereldlijke functie te bekleden.

“Dat bij de constitutie van 1806 het lidmaatschap van enige kerkelijke gemeente voor elk staatsburger verplicht werd gesteld, was import: een totalitair-kerkelijk beginsel, dat hier niet goed aansloeg. Nog minder het beginsel der Inlijving van 1810, het napoleontische, volgens hetwelk de geestelijken ambtenaren der burgerlijke gemeenten zouden zijn, uit gemeentekas betaald.”

Nederland kan bogen op een lange traditie van secularisme. Staatskerken zijn dit land vreemd, en kerken hebben langzaam maar zeker hun rol in de wereldlijke domeinen zien teruglopen. Of om te beeindigen met de woorden van Andreae: “scheiding van kerk en staat zou er zijn en blijven.”

Juridische blik op de scheiding tussen kerk en staat van Remco Nehmelman

Juridische blik op de scheiding tussen kerk en staat van Remco Nehmelman

Remco Nehmelman over de Scheiding tussen kerk en staat in Nederland

Remco Nehmelman is professor publiek organisatierecht en was eerder werkzaam als hoofddocent staats- en bestuursrecht te Utrecht. In die hoedanigheid weet hij aan de hand van jurisprudentie een interessant licht te werpen op de toestand van de scheiding tussen kerk en staat in de recente Nederlandse geschiedenis. Het artikel dat hier is samengevat dateert uit 2008 en strekt derhalve niet tot de meest recente geschiedenis. Toch zijn de inzichten van Nehmelman uiterst waardevol bij het vormen van een beeld van hoe de burger, ambtenaar, wetgever en de rechter zich allen in de afgelopen jaren hebben verhouden tot de scheiding tussen kerk en staat, vrijheid van meningsuiting en godsdienstvrijheid.

De aanval op het WTC luidde een nieuw era in

In zijn artikel The Separation of Church and State: Beware of the Legislator (2008), stelt Remco Nehmelman dat er sinds de aanslagen op de Twin Towers op 9/11 een nieuw era is begonnen in de Westerse democratieën betreft het onderwerp scheiding tussen kerk en staat. Een van de vragen die het opriep was deze:

  1. ¨Is de islam een bedreiging voor de gevestigde Westerse democratieën, niet alleen vanwege de terroristische aanslagen, maar wordt de islam ook een dominant fenomeen in het politieke landschap?
  2. En zal dit leiden tot een nieuwe benadering van de scheiding tussen kerk en staat?

Om die laatste vraag te beantwoorden, schrijft Remco Nehmelman, moeten we eerst weten hoe deze democratieën tot noch toe om zijn gegaan met die scheiding tussen kerk en staat. Er zijn grote verschillen te onderscheiden: zo speelt de Grieks Orthodoxe Kerk in Griekenland een belangrijke rol in het dagelijks leven, maar ook in het onderwijs en de politiek. Dat terwijl we in Frankrijk (en in 2008 nog in Turkije) een hele andere situatie aantreffen. Daar wordt religie ook uit het onderwijs geweerd.

Tussen deze twee extremen bevinden zich landen met een minder uitgesproken positie over de scheiding tussen kerk en staat. Zo ook Nederland, dat geen duidelijke visie heeft op dit onderwerp. Als voorbeeld noemt Remco Nehmelman ons onderwijssysteem: sinds 1917 worden zowel publieke als op religieuze leest geschoeide scholen uit de staatskas gefinancierd.

Voor Nehmelman betekent de scheiding tussen kerk en staat dat noch de staat of de kerk institutionele invloed op de ander mag uitoefenen. Maar kan dit principe overeind blijven staan? Er zijn christelijke politici die het werk doen dat de kerken niet kunnen doen, maar wél zouden willen. Remco Nehmelman beschrijft eerst hoe de christelijke partijen hun invloed doen gelden, om vervolgens de vraag te beantwoorden of de islam een bedreiging vormt voor de scheiding tussen kerk en staat.

Christenen in de politiek en godslastering: Gerard Reve en de ezelgod

In 1965 schreef Reve in het tijdschrift Dialoog dat wanneer god weer terugkomt op aarde, hij in de vorm van een ezel zou verschijnen. Reve beschreef gedetailleerd hoe hij de liefde zou willen bedrijven met deze ezel geworden godheid. C.N. Van Dis, van de SGP, stelde hier kamervragen over aan de minister van Justitie en vroeg of Gerard Reve vervolgd zou worden wegens godslastering. De minister van Justitie beaamde dit. Artikel 147 van het wetboek van Strafrecht stelt godslastering (nog steeds!) strafbaar. Reve werd uiteindelijk vrijgesproken bij de Hoge Raad en is daarmee tot nu toe de laatst vervolgde voor godslastering.

Daarmee was artikel 147 Sr echter niet verdwenen uit de gedachten van politici. Toen Theo van Gogh werd vermoord (naar aanleiding van zijn kritiek op de profeet Mohammed) hield Piet Hein Donner (CDA) een pleidooi voor een herleving van het godslaster artikel. De reactie van artiesten als Hans Teeuwen smoorde deze christelijke stuiptrekking. De vrijheid van meningsuiting moest worden verdedigd niet de lange tenen van religie.  

Ook tekenaar Gregorius Nekschot moest het ontzien. Naar aanleiding van tekeningen als Mohammed die de liefde bedrijft met Anne Frank viel de politie bij hem binnen voor verhoor. De liberale partijen VVD en D66 waren hier niet blij mee en riepen de nieuwe minister van Justitie Ernst Hirsch Ballin (CDA) op het matje.

Remco Nehmelman constateert dit: in Nederland kun je nog steeds worden aangeklaagd voor godslastering, dóór de openbare aanklager, die in dienst is van de staat.

Christenen in de politiek over abortus

De relatie tussen kerk en staat wordt ook zichtbaar bij het onderwerp abortus. Remco Nehmelman schrijft dat er In de jaren zeventig een conflict ontstond over abortus, ondanks dat Nederland een tamelijk progressief land was in deze. De kliniek Bloemenhove was een doorn in het oog voor Dries van Agt ( wederom een CDA’er als minister van Justitie), omdat de kliniek ook na 12 weken zwangerschap vrouwen behandelde. Toen er eens iets mis ging bij de abortus, liet van Agt de kliniek sluiten. Het waren weer partijen als de liberale VVD die op de bres sprongen, en van Agt moest uiteindelijk forfait geven na een zware politieke strijd. In 1984 werd abortus bij de wet definitief geregeld.

Toch kwam Jet Bussemaker in 2008 onder vuur te liggen door de ChristenUnie, omdat zij toestemming had gegeven voor de selectie van embryo’s op borstkanker. Het resultaat was dat embryoselectie pas mag plaatsvinden na toetsing door een speciale commissie.    

Remco Nehmelman constateert dat ofschoon Nederland vaak wordt beschouwd als een land waar de scheiding tussen kerk en staat zeer goed is doorgevoerd, de christelijke partijen toch de politieke agenda vaak kunnen domineren. De vraag is of het een bedreiging of zelfs een doorbreking is van de scheiding tussen kerk en staat.  Strikt genomen niet, zegt Nehmelman. Toch dragen deze christelijke partijen dezelfde standpunten uit als de kerk. Maar dat is onvermijdelijk in een democratie, waar ieder individu politieke macht kan verwerven.

De islam in Nederland en de scheiding tussen kerk en staat

Toen Nehmelman dit artikel schreef, in 2008, waren er nog geen islamitische partijen (ik doel in 2017 uiteraard op DENK). Hij zegt dat er weliswaar moslims in de Tweede Kamer zitten, maar dat de christelijke partijen een grotere bedreiging vormen voor de scheiding tussen kerk en staat. Toch zijn er andere sferen waarin de islam een (kleine) bedreiging voor dit principe vormt. Aan de hand van twee voorbeelden illustreert Nehmelman dit, alhoewel er meer voorbeelden te geven zijn, zoals de toelating van imams en het stichten van islamitische scholen in Nederland.

De griffier van de rechtbank die een hoofddoekje naar de rechtszaal wilde dragen

In 2001 presenteerde de Commissie Gelijke Behandeling haar visie op de zaak waar een sollicitant voor griffier werd geweigerd omdat ze een hoofddoekje wilde dragen in de rechtszaal. Er was geen sprake van directe discriminatie, maar wel van indirecte discriminatie door de kledingvoorschriften.  

De leerkracht die geen handen wilden geven

Op de eerste dag na de zomer werd een leerkracht naar huis gestuurd toen zij te kennen gaf mannen geen hand meer te willen geven op basis van het religieuze overtuigingen. De rechtbank in Zwolle oordeelde dat hier geen sprake was van discriminatie, maar van een vertrouwensbreuk en dat het handelen van de school toelaatbaar was. De Commissie gelijke behandeling zag hierin een inbreuk op het recht van gelijke behandeling, maar de rechtbank verdedigde dat rechten als gelijke behandeling of vrijheid van godsdienst hier niet op het spel stonden.

In 2008 oordeelde de Rotterdamse rechtbank dat een sollicitant geweigerd kan worden wanneer die geen hand wil geven. De Commissie Gelijke Behandeling was het eens met deze uitspraak – er is geen sprake van een inbreuk op het recht van gelijke behandeling. Immers, niet de religie van de sollicitant, maar zijn onwil om zich tijdens de sollicitatieprocedure coöperatief op te stellen had geleid tot diens afwijzing. Diezelfde moslim wilde later op basis van zijn religie niet opstaan voor de rechters toen zij de zaal betraden. De Rotterdamse rechtbank oordeelde toen dat hij dat op basis van zijn diepe religieuze gronden niet hoefde te doen. Hirsch Ballin van het CDA was het daar niet mee eens en vond dat iedereen moet opstaan voor de Nederlandse magistraten.

Tot slot zag Job Cohen zich met een soortgelijk dilemma geconfronteerd toen in Slotervaart straat begeleiders‘ vrouwelijke klanten geen hand wilde geven. Job Cohen gaf hen gelijk, maar zijn eigen fractie diende een motie in om deze straat begeleiders te ontslaan. De motie heeft het niet gered.

Recapitulatie: hoe verhoudt de ambtenaar zich tot zijn grondrechten?

Remco Nehmelman zegt dat de bovenstaande casi handelen over hoe ambtenaren zich verhouden tot hun constitutionele rechten. Nehmelman formuleert tot slot heel kernachtig hoe de verhouding tussen ambtenaar en diens grondrechten zich dienen te verhouden:

wanneer je als ambtenaar werkt, handel je namen de staat en niet als individu. Dus moet dit individu in de hoedanigheid van ambtenaar accepteren dat zijn constitutionele rechten worden ingeperkt wanneer hij handelt namens de staat. De staat heeft namelijk de verplichting zich neutraal op te stellen en ambtenaren hebben de plicht om geen uitdrukking te geven aan hun persoonlijke opvattingen. En dus kan het niet dragen van religieuze symbolen of het geven van een hand verplicht worden gesteld.

 

De Seculiere Kieswijzer

De Seculiere Kieswijzer

De seculiere kieswijzer 2017 is een initiatief van secularisme.nl . In aanloop naar de verkiezingen van 15 maart 2017 deden wij onderzoek naar de rol van religie in de verkiezingsprogramma’s van alle Nederlandse politieke partijen. 

Centraal daarbij stond de vraag hoe zij de scheiding tussen kerk en staat vorm willen geven – als dit al genoemd staat. Ook is gekeken naar o.a. de visie op het bijzonder onderwijs van de verschillende politieke partijen. 

In totaal hebben bijna 2500 mensen gebruik gemaakt van de seculiere kieswijzer 2017, vóór maart 15. 

De Seculiere Kieswijzer 2017

Wie is er bang voor Mohammed? Marcel Hulspas boekrecensie

Wie is er bang voor Mohammed? Marcel Hulspas boekrecensie

Politiek en islamkritiek zijn de afgelopen jaren steeds meer met elkaar verweven geraakt. Het is Marcel Hulspas in ‘Wie is er bang voor Mohammed?’ daarentegen gelukt om een overzicht te geven van de belangrijkste elementen en ontwikkelingen van de islam zonder daarbij zichzelf in een politieke hoek te scharen. Noch apologetisch, noch ongefundeerd hard uitgesproken, kenschetst objectiviteit dit boek. Dat is een prestatie van verdienste, in een tijd waarin een rationele analyse van de islam meer dan eens nodig is.

Marcel Hulspas stelt in het licht van alle aanslagen een goede vraag: ‘Wie is er bang voor Mohammed?’. Met een vlotte pen stipt Hulspas de belangrijkste thema’s van de islam aan en geeft waar nodig de historische context. Hoeveel vrouwen mag een moslim eigenlijk hebben? Wat zegt de Koran over de slavernij? Hoe zit het met het islamitisch recht, het onderscheid tussen de soennieten en de sjiieten? Hoe is de islam in haar huidige crisis terechtgekomen en wat zijn de problemen die een reformatie in de islamitische wereld in de weg staan? Welke rol speelt het Westen in dit alles?

‘Wie is er bang voor Mohammed?’ werpt een helder licht op al deze vragen. Het haalt sommige zorgen weg, terwijl er andere weer bij komen. Zo hanteren sommigen bij het interpreteren van de Koran en ahadiet (meervoudsvorm van hadiet) de istislaah, het rekening houden met het algemeen belang. Dat klinkt positief. Ook zijn de meningen verdeeld in de islamitische wereld of je wel in De Tuinen (het paradijs) komt als je jezelf opblaast. Ook dat schept hoop. Elders lezen we echter weer de gewoonte van Mohammed om Joden te vervolgen, elke keer wanneer hij terugkwam van een veldslag met Mekka. Dat alle imams het erover eens zijn dat ‘ongeneeslijke’ homoseksuelen dood moeten. Dat het ‘zwaardvers’, waarin wordt opgeroepen de afgoddienaars te grijpen, te omsingelen en in een hinderlaag te lokken, het laatst geopenbaarde vers is en daarmee (volgens de naskh) alle eerdere, meer genuanceerde verzen vervangt. Toch wel weer een reden om een beetje bang te zijn voor Mohammed.

Hulspas, van oorsprong een natuurkundige en een sterrenkundige, laat zien dat hij de kritische kneepjes van de bètavakken niet verleerd is. Genadeloos maakt hij korte metten met de – zo blijkt – ongefundeerde meningen van onder anderen Karen Armstrong. Mohammed was geen socialist, noch was het vermoorden van zes- tot negenhonderd joden in het jaar 627 ‘zuiver politiek gesproken, de juiste beslissing.’ ‘Walgelijk’, zo reageert Hulspas hier op Armstrong. Ook laat Hulspas duidelijk zien dat het nog maar de vraag is of Mohammed wel een koopman was – en of Mekka überhaupt wel een handelsstad was.

Reden dus om het boek te lezen, voor iedereen die meer wil weten over de islam, maar niet zit te wachten op de zoete broodjes van een apologeet, of op een eenzijdige negatieve lezing.

De Noodzaak van moreel en politiek secularisme Paul Cliteur

De Noodzaak van moreel en politiek secularisme Paul Cliteur

De Noodzaak van moreel en politiek secularisme, Paul Cliteur

De scheiding van moraal en religie

Paul Cliteur schrijf dat Europa zich van andere culturen of beschavingen onderscheidt door één belangrijke waarde of ideaal in het bijzonder – het secularisme. Dit is een faciliterende conditie voor het vreedzaam samenleven van haar inwoners. Desalniettemin staat, volgens Cliteur, juist die waarde onder druk, omdat zij “ in vergetelheid is geraakt of wordt onderworpen aan oppervlakkig kritiek.” Een pleidooi voor een revitalisatie van het Europees secularisme volgt.

Als “provisorische” definitie van secularisme geeft Cliteur dit:

“Het gaat om het streven staat en moraal hoog te houden op een niet-religeuze grondslag.”

Cliteur onderscheidt twee elementen die het secularisme haar betekenis geven – terwijl het secularisme meestal in zijn geheel, slechts met één van deze wordt geassocieerd. Dat is het politiek secularisme. Dit is de idee dat de staat zich neutraal verhoudt ten opzichte van religie “in de zin dat de staat niet voor één of meerdere religies kiest als grondslag voor het staatsburgerschap.”

Maar het andere, in vergetelheid geraakte element, gaat verder dan te constateren dat alleen de staat zich beter niet op religie kan baseren: “ook de moraal van het individu kan men beter niet legitimeren door te verwijzen naar religie. Het goede is goed in zichzelf en niet omdat het door God of door goden wordt voorgeschreven. Het ijveren voor de verbreiding van dit inzicht is dan moreel secularisme. Politiek secularisme bepleit dus de scheiding van staat en religie; moreel secularisme bepleit de scheiding van moraal en religie.”

Europa heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan het ontwikkelen van dit moreel en politiek secularisme. Een revitalisatie van secularisme is belangrijk voor de 21ste eeuw, omdat religieuze pluriformiteit zal toenemen en secularisme mogelijk maakt dat mensen met verschillende religieuze achtergronden kunnen samenleven en dit proces in goede banen kan leiden.

Cliteur verwijst naar de Paulus’ Brief aan de Galaten “waarin Paulus zegt dat ‘door het geloof’ en ‘in Christus Jezus’ wij allen ‘kinderen van God’ zijn: ‘(…) want door het geloof en in Christus Jezus bent u allen kinderen van God. U allen die door de doop één met Christus bent geworden, hebt u met Christus omkleed. Er zijn geen Joden of Grieken meer, slaven ofvrijen, mannen of vrouwen – u bent allen één in Christus Jezus. En omdat u Christus toebehoort, bent u allen nakomelingen van Abraham, erfgenamen volgens de belofte.’”

Kortom: in de verscheidenheid van volkeren is er één zaak die ons allen deel doet uitmaken van “die ene morele gemeenschap die alle mensen verbindt”. Het is de universaliteitspretentie van het christelijk geloof, die in potentie alle mensen zou kunnen verbinden. Echter, zo constateert Cliteur, dat is niet gebeurd en enkel op Europese bodem heeft het Christendom wortel geschoten. Cliteur is, met goede redenen, sceptisch dat ooit alle mensen zich kunnen verbinden in deze versie van de universele morele gemeenschap. Waarom? “Eigenlijk om de louter pragmatische reden dat de ontwikkeling van Europa een andere kant is uitgegaan dan de ontwikkeling van de Oriënt.” Er zijn verschillende opvattingen ontstaan over wat ons allen in moreel opzicht verbindt.

“Je kunt dus wel, zoals Paulus doet, bepleiten dat het universalistische perspectief dat Europa (of de rest van de wereld) nodig heeft het christendom is. Tegelijkertijd is het niet erg realistisch te verwachten dat dit zal verwezenlijkt worden. Veel realistischer is het, te verwachten dat de pluriformiteit die Europa tegenwoordig kenmerkt (en die geleidelijk aan gegroeid is sinds de 16e en 17e eeuw) er is en zal blijven. De vrijheid van godsdienst en vrijheid van expressie en andere grondrechten die we hier kennen, zullen ertoe bijdragen dat die pluriformiteit gehandhaafd blijft en zelfs verder wordt vergroot.” Wat zijn hiervan de consequenties?

Paul Cliteur overpeinst de Bos-atlas die hij op zijn middelbare school bestudeerde. Daarin stonden in bepaalde kleuren de verschillende talen die wereldwijd worden gesproken; en op een andere kaart in andere kleuren de verschillende religies. Toch is er veel te zeggen over deze twee kaarten. Zo valt het te verwachten dat men inderdaad Frans in Frankrijk spreekt, maar is iedereen in dat gebied katholiek, zoals staat aangegeven? “In Frankrijk wonen tenslotte ook protestanten en tegenwoordig ook veel moslims.” Met de huidige ontwikkelingen, zal hoe langer hoe meer misleidend een dergelijke kaart zijn. “Europese samenlevingen, zo kan men constateren, zijn diepgaand ‘veelkleurig’ geworden.”

Andere gebieden, zoals Saoedi-Arabië, zijn niet ‘veelkleurig’ geworden – maar juist meer van één kleur. “multicultureler. Het Midden-Oosten wordt steeds meer homogeen, Europa heterogeen.”

“Dat gegeven van een monoculturele Oriënt en een multicultureel Europa heeft enorme consequenties voor de waarden die we in Europa zullen moeten omarmen om het samenleven onder condities van religieus verschil mogelijk te maken. Dat klemt des te meer omdat religie zich tegenwoordig niet van zijn meest vreedzame kant laat zien.”

De groeiende betekenis van radicale religiositeit

 

Paul Cliteur haalt nu drie voorbeelden aan om te laten zien wat hij daarmee precies bedoelt. Eerst de ‘Underwear Bomber’ die op een vlucht naar Detroit een mislukte aanslag pleegde.

“Iemand die zich voor de legitimatie van het geweld dat hij wil plegen beroept op de godsdienst van de islam is een mooi voorbeeld van iemand die niet het principe onderschrijft van wat ik hiervoor moreel secularisme heb genoemd. Moraal is voor zo iemand altijd in de goddelijke wil gefundeerde moraal. En die religieuze taal is niet een soort poëtische uitdrukking van zijn gevoelens, maar hij meent wat hij zegt.”

Dergelijke legitimering van geweld komt ook voor bij de eerste monotheïstische godsdienst, het jodendom. “De din rodef is de religieuze verplichting om een Jood te doden wanneer deze de eigendommen of het leven van andere Joden in gevaar brengt. Wie op die manier ‘vervloekt’ is, is min of meer vogelvrij, en een prooi voor religieuze fanatici.” Hier is Jitzhak Rabin in 1995 het slachtoffer van geworden.

En uiteraard passeert ook het christendom de revue. De abortusarts George Tiller had al 2 aanslagen op zijn leven overleefd toen de derde fataal werd. De aanslagpleger beriep zich op een ‘morele rechtvaardiging’: het verdedigen van onschuldig leven.

“Nu kan in mij voorstellen dat bij sommigen de reactie opkomt dat het hier om ‘incidenten’ gaat. Dat is juist. Het gaat om incidenten. Maar als de politicoloog Eric Kaufmann gelijk heeft, dan gaat het wel om incidenten die we serieus moeten nemen omdat niet – zoals het vaak wordt voorgesteld – de religieuze gematigdheid in opkomst is, maar het religieus fundamentalisme.” Volgens Kaufmann ligt de reden voor de hand: Fundamentalisten krijgen meer kinderen dan niet-fundamentalisten – en ze zijn niet te overtuigen van hun ongelijk. Ook Mark Steyn poneert een verwante stelling.

“Stel, zij hebben gelijk” boomt Cliteur “ en fundamentalistische interpretaties van de godsdienst komen er steeds meer, en fundamentalisten krijgen demografisch gezien de overhand op de ‘gematigden’: wat zou dat betekenen voor de waarden die we in Europa moeten onderschrijven?”

Dan is de oplossing van Paulus: we moeten allemaal christelijk worden, dán hebben we weer “één gemeenschappelijk perspectief.” Dit lijkt Cliteur niet realistisch: “Europa is ten diepste pluriform en multireligieus. We zullen dus moeten samenleven; tegen de achtergrond van een toenemende ‘fundamentalisering’ van de godsdiensten.” De verschillende op religieuze leest geschroeide aanslagen zijn voorbodes van meer conflicten die we te verwachten hebben.

Cliteur: “Naar mijn idee zou het onder die omstandigheden wenselijk zijn dat de Europese bevolking leert om zijn ethiek en politiek niet te baseren op de waarden van één godsdienst (want de godsdiensten houden ons verdeeld), maar dat men zou leren om gemeenschappelijke waarden te baseren op iets algemeen menselijks. Dat komt dus in feite neer op het ideaal van het moreel secularisme. In feite komt het voor de publieke sfeer neer op een ontkoppeling van religie en moraal.”

Dat secularisme speelt niet alleen op het terrein van het individu maar ook van de staat. En de staat en het individu kunnen een symbiose aangaan: de staat kan door het cultiveren van de waarde van het politiek secularisme aan het individu tonen dat niet-religeuze deugdzaamheid mogelijk is; het individu kan met moreel secularisme een voorbeeld zijn voor de staat.

Er zijn 5 manieren, volgens Paul Cliteur, waarop de staat zich tot religie kan verhouden.

  1. De staat kan principieel elke vorm van religiositeit verwerpen. Zo heeft de Sovjet-Unie dat gedaan: Religie is maatschappelijk schadelijk en dus is het van belang dat we van religie afkomen. “Het behoeft nauwelijks betoog”, zo schrijft Cliteur, “dat een dergelijke benadering in strijd zou zijn met Europese waarden als vrijheid van godsdienst vrijheid van meningsuiting en andere waarden.”
  2. De theocratie. “Men probeert met geweld en andere dwangmaatregelen de gehele Europese bevolking achter één godsdienst te krijgen. Zoiets is met zekere mate van succes beproefd in Iran.” Europa heeft zich echter in geleidelijke mate van die dwang geëmancipeerd en het is in strijd met diezelfde basale waarden als geschetst onder 1.
  3. De derde mogelijkheid is verleidelijk voor sommigen: de Europese staat kiest voor een Leitkultur van één specifieke religieuze traditie, die niet met dwang maar door vreedzame prediking wordt uitgedragen. Deze vorm is ook, zij het in mindere mate, strijdig met voornoemde beginselen, zoals bijvoorbeeld die van gelijke behandeling. Er is hier ook sprake van discriminatie.
  4. Het vierde model is multiculturalisme. “Het probeert de ongelijke behandeling van model 3 te vermijden door alle godsdiensten op voet van gelijkheid tot onderdeel van het beleid van de staat te maken. Het multiculturalisme probeert eigenlijk van verscheidenheid een nieuwe religie te maken. Maar ook het multiculturalisme heeftschaduwkanten. Daar zijn allereerst het feit dat het nog altijd op discriminatie van een bepaalde positie berust. Die discriminatie is minder pregnant dan bij het idee van de religieuze Leitkultur, maar toch nog altijd aanwezig. Multiculturalisme discrimineert eigenlijk alle religieuze wereldbeschouwingen ten nadele van de niet-religieuze wereldbeschouwingen.” Ook zijn er pragmatische nadelen aan het multiculturalisme: het vergroot alleen maar de tegenstellingen tussen de religieuze groepen.
  5. De religieus neutrale staat is wat overblijft. “De staat zou zich neutraal ten opzichte van godsdienst moeten opstellen. En Europese staatsburgers zouden moeten leren hun publieke moraal beter te legitimeren dan door te verwijzen naar hun godsdienst. Het zou naïef zijn te verwachten dat dit van het ene op het andere moment wordt gerealiseerd. Maar het zou onverantwoord zijn dit grote Europese ideaal niet als voorbeeld voor de toekomst te identificeren.”

Islamisering daar zit een keurig plan achter

Islamisering daar zit een keurig plan achter

Door Marcel Hulspas.

Nu lijkt Indonesië dus aan de beurt. Alhoewel de rechtszaak tegen gouverneur Ahok van Jakarta nog zeker niet is afgerond (de zaak wordt hervat op 3 januari), kan de hele affaire nu al beschouwd worden als een grote overwinning van de conservatieve islam – of beter, van de georganiseerde Indonesische salafisten. Zij zijn immers de onstuitbare motor achter de vele protesten en  demonstraties gericht tegen de Chinese, christelijke gouverneur van de hoofdstad. Ze hebben hun organisatiekracht getoond. De rechters durven hen niet te trotseren. Daarmee zijn ze een belangrijke speler geworden in de Indonesische politiek. Maar hun voornaamste doel is niet de politieke macht in het land, maar de macht over de Indonesische bevolking. De rest komt later.

Indonesië is in snel tempo aan het islamiseren….  

De hoofddoek, vroeger een zeldzaamheid, is momenteel overal te zien. En volgens correspondent Michel Maas (in de Volkskrant van 30 december) dragen steeds meer vrouwen in het land zelfs de syari hijab, ‘die als een poncho het hele bovenlijfbedekt’. Dergelijke kleding gold tot voor kort als lelijk en on-Indonesisch. Maar nog even en de straten van Jakarta lijken als twee druppels water op die in Caïro. Die nieuwe dracht is geen modeverschijnsel, en zeker geen toeval. Het is een teken dat een pluriforme Indonesische samenleving de strijd aan het verliezen is. Het is een van de vele stappen en stapjes in een langdurig, flexibel, van buitenaf gestimuleerd proces dat zich ook in andere islamitische landen  voltrekt of al voltrokken heeft. De grote motor hierachter is Saoedi-Arabië, bijgestaan door haar conservatieve medestanders (staten en particulieren) in de Golfregio.

Sinds Saoedi-Arabië over enorme hoeveelheden geld beschikt (zeg maar, sinds de oliecrisis 45 jaar geleden) steekt het land enorme sommen in de verbreiding van haar eigen variant op de islam, het wahabisme. Daarbij gaat het beslist niet om een simpel recht-toe-recht-aan prediking van deze ultraconservatieve versie – de Saoedi’s zijn veel slimmer dan dat. Prediking is slechts het begin. Ze nemen de tijd, zijn niet bang voor uitstel of omwegen, voor een compromis op zijn tijd – maar ze staan altijd klaar om een kans te grijpen. Elke leider, elke lokale of nationale beweging die daaraan kan bijdragen, kan op steun rekenen. Hoe klein ook, hoe verdwaasd ook – als het eventjes past in het grotere plan, wordt er contact gelegd. Het einddoel is en blijft: een islamitische staat in de wahabitische geest.  

Hoe ziet dat plan er uit? Dat is geen geheim. Het is in al zijn fasen op vele plaatsen traceerbaar. Ruwweg komt het hierop neer:

  • Eerst stuur je geestelijken van de juiste snit; die laat je clubjes volgelingen om zich heen verzamelen.
  • Stimuleer daarna moskeeën en scholen om hen toegang te verschaffen om les te geven. Daarmee gaat voor die moskee of school de subsidiekraan ook open.
  • Stimuleer bekeerlingen om in het openbaar hun ‘hervonden’,ware’ geloof uit te dragen door middel van kleding en door vrienden en bekenden aan te spreken op hun gedrag. Laat andere moslims voelen dat ze onrein, lui, onwetend zijn. Stimuleer ze om zich aan te sluiten.
  • Als de groep gelovigen groter wordt, vraagt de imam toestemming om een eigen moskee te mogen bouwen, of een school te beginnen. De overheid hoeft alleen maar te gedogen. Geld is niet nodig, dat komt uit de Golfregio. Organiseer op basis van dergelijke centra een nationale beweging gericht op de ‘zuivering’, de ‘wederopleving’ ofwel het ‘herstel’ (you name it) van de islam. Blijf in het nieuws.
  • Organiseer bijeenkomsten. Stel eisen, organiseer straatcomités en knokploegen. Verhef de beweging tot de spreekbuis, de stem, van de ware moslims. En daarmee van álle moslims.
  • Zet vanuit deze positie andere islamitische bewegingen onder druk om zich ook als ‘goede moslims’ op te stellen en de strengere eisen te onderschrijven.
  • Zoek politieke organisaties of partijen uit die geschikt zijn om, op termijn, overgenomen te worden.
  • Zet vanuit deze centrale positie de nationale politiek onder druk om wetgeving aan te passen aan de sharia.

Dat ‘zoeken’ vaak niet eens nodig. In politiek instabiele landen is er altijd wel een partij of stroming te vinden die de islamisten benadert om ze voor haar eigen gewin in te zetten. Een mooi geval is het huidige Indonesië, waar de machtige kliek rond ex-president Yudhyono de islamisten steunt en gebruikt (en strijders bewapent) als pressiemiddel in de strijd om de macht met de huidige president Widodo (een vriend van gouverneur Ahok).  

Dit schema is, nogmaals geen geheime samenzwering of een complot. De Saoedi’s zeggen er liever niet veel over, en doen de financiële donatie graag af als vrome giften. Dat zijn het ook – maar de giftenstroom is goed gereguleerd. De organisaties die imams opleiden en uitzenden, en die de geldstromen regelen: ze zijn allemaal bekend. Ze opereren van Marokko tot de Filipijnen – en ook onder de moslimminderheden in het Westen. De aanpak wordt tijdens internationale conferenties geëvalueerd en bediscussieert. Het betreft hier simpelweg een lange-termijn project om de islamitische wereld in conservatieve richting om te buigen. Dezelfde ‘missioneringsactiviteiten’ worden, zoals iedereen weet, ook uitgevoerd in West-Europa. Een politieke machtsgreep ligt daar uiteraard niet voor de hand; de doelen in het Westen zijn greep krijgen op de verschillende moslimgemeenschappen en daarna, vanuit die woordvoerderspositie, het met kracht neerzetten en verdedigen van de religieuze rechten van moslims in westerse samenlevingen, zodat zij buiten de ‘gewone’ wetgeving van de ongelovigen in eigen kring de sharia mogen hanteren (en aan ‘afvallige’ moslims mogen opleggen).  

Tientallen landen hebben te maken met deze Saoedische ambities. De Saoedi’s hebben dat proces uiteraard niet altijd en volledig onder controle; in veel gevallen moeten ze omzichtig, op de achtergrond opereren om niet al te veel politieke of nationalistische weerstand op te roepen. Sommige projecten lopen vast, anderen worden verboden. Andere groeien rustig verder. De kunst is om elke gelegenheid die zich voordoet te benutten. En geld verricht daarbij uiteraard wonderen. Menige moslimpoliticus denkt dat het zo’n vaart niet zal lopen, en wil graag goede sier maken met een pracht van een moskee in zijn kiesdistrict. Om een voorbeeld te geven: de Saoedi’s hebben de afgelopen dertig jaar ook hun best gedaan om de Turkse politiek te beïnvloeden, door conservatieve partijen, broederschappen en stromingen te financieren. De uitkomst van dit alles, de opkomst van Recep Erdogan, is misschien niet direct wat de Saoedi’s voor ogen zweefde – maar dat geeft niks. De oude Turkse seculiere staat (en de persvrijheid) zijn in elk geval verslagen. Er komen vast weer andere tijden, met nieuwe kansen.  

Een geïslamiseerd Indonesië zou natuurlijk een geweldige overwinning zijn voor de conservatieve islam. Als alles loopt zoals de conservatieven dromen, dan zal hun eerste taak zijn om alle ‘foute’ en ‘valse’ vormen van de islam (waaronder talloze traditionele gebruiken) te veroordelen en verboden te krijgen. (Net als een eeuw geleden in Saoedi-Arabië.) Daarna kunnen van daaruit kunnen weer imams uitgezonden worden naar moslimgemeenschappen in andere landen in Zuidoost-Azië. Een degelijkGrand Scheme stuit een keer op grenzen. Waarschijnlijk niet zozeer financiële (ondanks de financiële problemen van het Saoedische bewind) maar eerder op grenzen opgeworpen door nationale diversiteit. Een (te) conservatief islam kan Turkije doen splijten. Wat dat betreft kan het ook in Indonesië anders lopen dat de wahabieten hopen. Een vergelijkbare beweging, het Europese democratiseringsproject in Midden-Europa, is inmiddels ook vastgelopen. Feit blijft dat het Westen én de gematigde islam hier al veertig jaar lang geen gecoördineerd antwoord op heeft. Wanneer in een land de islamisering oprukt, wordt dit meestal beschouwd als een nationaal probleem, met nationale oorzaken. Die zijn er zeker. Maar dat is niet het hele verhaal. Beweging kun je benutten. De toekomst ligt open – en de Saoedi’s weten dat maar al te goed. Volgens hen is de toekomt aan het wahabisme, en daar zullen ze zich nog vele jaren actief voor inzetten.

Met toestemming overgenomen van marcelhulspas.nl